In dit verzetsvonnis boog de rechtbank zich opnieuw over een zaak rond huishoudhulp.

De beklaagden waren diplomaten uit Koeweit. Ze werden vervolgd voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting, het niet-uitbetalen van lonen en andere inbreuken op het sociaal strafrecht. In het verstekvonnis van 15 december 2021 had de rechtbank geoordeeld dat de feiten inzake mensenhandel bewezen waren De beklaagden waren intussen teruggekeerd naar Koeweit en tekenden verzet aan.

Het slachtoffer, een vluchteling uit Ethiopië, was in handen gevallen van mensenhandelaren en was zo in Koeweit bij de beklaagden terechtgekomen. In 2012 begon ze als huishoudhulp. In 2017 werd zij samen met het gezin naar België overgebracht.

Het slachtoffer moest zeven dagen op zeven werken en de klok rond klaarstaan voor het gezin. Ze had geen contact met de buitenwereld, geen eigen leven en amper persoonlijke bezittingen. Zij verdiende nauwelijks geld. Ze moest eten wat er overbleef als het gezin gegeten had. Als de familieleden boos waren, scholden zij haar uit. Ze mocht het huis niet verlaten. Als het gezin er niet was, werd het huis afgesloten. Het koppel hield haar paspoort bij. Ze kon pas ontsnappen toen het koppel ’s nachts de sleutels op de deur had laten zitten. Zij vluchtte en werd nadien opgevangen door PAG-ASA.

De rechtbank oordeelde op basis van deze feiten dat de mensenhandel met verzwarende omstandigheden bewezen was. Het slachtoffer was volledig afhankelijk van de beklaagden waardoor ze de facto in gevangenschap leefde. De beklaagden hadden het slachtoffer met een toeristenvisum laten overkomen, terwijl er in een specifieke procedure met bepaalde voorwaarden voorzien is voor diplomatiek huishoudpersoneel. Het is ongeloofwaardig dat het diplomatenkoppel daarvan niet op de hoogte was.

Het slachtoffer en PAG-ASA hebben zich burgerlijke partij gesteld. Het slachtoffer kreeg een materiële (33.327,44 euro, zijnde de achterstallige lonen) en een morele (5.000 euro) schadevergoeding toegekend. De vordering tot schadevergoeding van PAG-ASA werd ongegrond verklaard.

Deze beslissing werd beroep aangetekend tegen de beslissing. Het hof van beroep van Brussel boog zich in zijn arrest van 21 november 2024 over de zaak.