Het hof van beroep boog zich over dit groot dossier rond mensensmokkel. De beklaagden, die vooral de Iraakse, de Iraanse en de Duitse nationaliteit hadden en in Duitsland verbleven, werden vervolgd voor hun betrokkenheid bij het vervoer van rubberboten en ander nautisch materiaal vanuit Duitsland voor illegale overtochten naar het Verenigd Koninkrijk.

In eerste aanleg had de correctionele rechtbank van Brugge in een vonnis van 18 oktober 2023 de zaak beoordeeld waarbij 21 beklaagden terechtstonden voor mensensmokkel met verzwarende omstandigheden en criminele organisatie. In eerste aanleg achtte de rechtbank de feiten inzake mensensmokkel met verzwarende omstandigheden bewezen en de beklaagden werden allemaal – op een persoon na – veroordeeld tot gevangenisstraffen, soms met uitstel.  

De betrokkenheid van de beklaagden kwam geleidelijk aan het licht dankzij doorgedreven telefonieonderzoek en een toevallige levering van nautisch materiaal op een verkeerd adres in Duitsland. De Duitse politie slaagde er vervolgens in om opslagplaatsen van nautisch materiaal te lokaliseren en meerdere beklaagden te arresteren. De activiteiten van het internationale smokkelnetwerk spreidden zich uit van Turkije over Duitsland en België tot in Frankrijk. De beklaagden stonden in voor uiteenlopende taken, waaronder het aankopen van nautisch materiaal, het (ver)huren van opslagplaatsen, het laden en lossen van het materiaal, het voorbereiden en uitvoeren van de transporten, het organiseren van de oversteek van het Kanaal en het regelen van de betalingen. 

Zeven beklaagden hadden beroep aangetekend tegen het vonnis. In een arrest van 29 januari 2025 bevestigde het hof van beroep van Gent het vonnis van de eerste rechter in grote lijnen. Het hof hervormde en verzwaarde gevangenisstraffen ten aanzien van meerdere beklaagden.

Meerdere beklaagden laakten de zogenaamde vooringenomenheid van de onderzoekers. Ze verzochten ook om een integrale uitlezing van alle gsm-toestellen. Daarnaast vroegen ze de voeging van de stukken afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk en de stukken gelinkt aan de JIT-overeenkomst. Het hof van beroep ging daar niet op in.  

Het hof bevestigde in grote lijnen het vonnis van de eerste rechter, zowel voor de tenlastelegging mensensmokkel als voor de tenlastelegging van leidend persoon te zijn van of deelgenomen te hebben aan een criminele organisatie. Het hof hervormde evenwel gedeeltelijk de straffen en sprak zwaardere gevangenisstraffen uit ten aanzien van meerdere beklaagden. Zo kregen zij gevangenisstraffen tussen dertig maanden en dertien jaar.  

De schadevergoeding voor Myria werd bevestigd. Het verbeurdverklaarde bedrag werd door het hof voor de helft toegewezen aan Myria.