Er stonden 21 beklaagden terecht voor de rechtbank voor mensensmokkel met verzwarende omstandigheden en criminele organisatie, van wie er een verstek liet.

De beklaagden, die vooral de Iraakse nationaliteit hadden en in Duitsland verbleven, werden vervolgd voor hun betrokkenheid bij het vervoer van rubberboten en ander nautisch materiaal vanuit Duitsland voor illegale overtochten naar het Verenigd Koninkrijk. Myria stelde zich burgerlijke partij in deze zaak.

De zaak is gelinkt aan een ouder dossier over transport van nautisch materiaal vanuit Duitsland, waarin al drie personen werden veroordeeld voor mensensmokkel. De verantwoordelijkheid van de beklaagden in dit nieuwe dossier kwam geleidelijk aan het licht dankzij doorgedreven telefonie-onderzoek en een toevallige levering van nautisch materiaal op een verkeerd adres in de Duitse stad Osnabrück. De Duitse politie slaagde er vervolgens in om opslagplaatsen van nautisch materiaal in beeld te brengen en meerdere beklaagden te arresteren. Het smokkelnetwerk werd verder in kaart gebracht op basis van verklaringen, observaties, huiszoekingen, afluistermaatregelen, intercepties, analyses van beelden van ANPR-camera’s en uitlezingen van gsm’s. De WhatsApp-conversaties die op bepaalde van deze gsm’s werden aangetroffen toonden onder meer aan dat een van de beklaagden het geweld niet schuwde.

De activiteiten van het internationale smokkelnetwerk spreiden zich uit van Turkije over Duitsland en België tot Frankrijk. De beklaagden stonden in voor uiteenlopende taken, waaronder het aankopen van nautisch materiaal, het (ver)huren van opslagplaatsen, het laden en lossen van het materiaal, het voorbereiden en uitvoeren van de transporten, het organiseren van de oversteek van het Kanaal en het regelen van de betalingen.

De rechtbank bevestigde de kwalificatie van de feiten als mensensmokkel met verzwarende omstandigheden. Het gebrek aan een persoonlijk vermogensvoordeel dat door sommige van de beklaagden werd ingeroepen werd afgewezen als irrelevant. De rechtbank stond daarentegen nadrukkelijk stil bij de verzwarende omstandigheden die met de feiten van mensensmokkel gepaard gingen. Daarbij werd er onder meer gewezen op de grote schaal waarop de organisatie werkte en het feit dat winstbejag primeerde op de leeftijd of de hoedanigheid van de gesmokkelde persoon. Voorts wees de rechtbank erop dat de personen die deelnamen aan de smokkel van het materiaal zich ervan bewust moeten zijn geweest dat zij zo het leven van de migranten in gevaar brachten, gelet op de modus operandi met rubberboten en de lamentabele kwaliteit van de aangetroffen bootjes, motoren en zwemvesten. Het was immers algemeen bekend dat mensen in deze omstandigheden het leven hadden gelaten en verdronken waren in de Noordzee. De rechtbank besloot dat de smokkel van nautisch materiaal louter met het oog op groot geldgewin gepleegd werd ten koste van heel kwetsbare personen.

Een van de beklaagden werd vrijgesproken omdat de feiten in zijn geval niet bewezen waren. Een andere beklaagde werd al in Frankrijk veroordeeld voor gelijkaardige feiten, maar kwam niet in aanmerking voor de toepassing van het beginsel non bis in idem, aangezien hij ook voor en na de feiten waarvoor hij al eerder in Frankrijk veroordeeld werd binnen het smokkelnetwerk actief bleef.

Alle beklaagden – op een persoon na – werden veroordeeld tot gevangenisstraffen die varieerden van elf jaar tot dertig maanden en tot geldboetes van 80.000 tot 8.000 euro (inclusief opdeciemen), soms (gedeeltelijk) met uitstel. Ten aanzien van zes beklaagden sprak de rechtbank de bijzondere verbeurdverklaring uit van vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf werden verkregen, waaronder een bedrag van 157.000 pond.

Aan Myria werd een schadevergoeding van 5.000 euro toegekend.

Er is beroep aangetekend tegen deze beslissing.