De rechtbank sprak zich uit over een zaak rond mensenhandel met het oog op economische uitbuiting waarvan de feiten hadden plaatsgevonden in meerdere restaurants waar verschillende Turkse slachtoffers aangetroffen waren.   

Er werden in deze zaak acht beklaagden vervolgd, vijf personen met de Belgische nationaliteit (maar van Turkse origine) en drie Belgische vennootschappen.   

Vijf van hen werden vervolgd voor mensenhandel, waaronder twee vennootschappen, ten aanzien van in totaal zestien slachtoffers die voornamelijk de Turkse nationaliteit hadden. Vijf slachtoffers hadden zich burgerlijke partij gesteld. De strafvordering ten aanzien van een vennootschap was vervallen omdat die intussen failliet was verklaard.   

Deze en de andere beklaagden werden daarnaast vervolgd voor meerdere inbreuken tegen het sociaal strafrecht, zoals het niet (tijdig) uitbetalen van lonen, het nalaten om een Dimona-aangifte te doen, het niet-betalen van sociale zekerheidsbijdragen, … In totaal waren er 26 tenlasteleggingen.   

De feiten vonden plaats in meerdere Gentse restaurants in de periode 2009-2020. Het ging om een familiezaak. De beklaagden waren familieleden van elkaar. De bal ging aan het rollen na een bestuurlijk onderzoek door de Vlaamse inspectie in oktober 2018 in twee restaurants, waarbij er indicaties waren van meerdere inbreuken tegen het sociaal strafrecht en economische uitbuiting. Dat onderzoek kwam er nadat de hoofdbeklaagde zelf verschillende meldingen had gemaakt bij de Vlaamse sociale inspectie over een restaurant van de concurrentie waar een van zijn vroegere werknemers illegaal zou zijn tewerkgesteld. Na verhoor van die werknemer, een van de burgerlijke partijen, is de inspectie een onderzoek naar de beklaagden gestart.   

Later werd er door het arbeidsauditoraat een gerechtelijk onderzoek gevorderd. Er werden huiszoekingen uitgevoerd en meerdere beklaagden werden gearresteerd. Ook gebeurde er een financieel onderzoek.  

De beklaagden stelden meerdere Turkse werknemers tewerk in hun restaurants. Sommigen van hen werden in Turkije geworven. Er werd hun een hoog loon beloofd. Aan een andere werknemer werd er in Turkije een bedrag geleend dat hij in België zou kunnen afbetalen via zijn tewerkstelling in de restaurants. De beklaagden vroegen een gecombineerde vergunning voor hen aan om als koks in de Ottomaanse restaurants te komen werken. Andere werknemers verbleven al in België. Sommigen werden tewerkgesteld als schijnzelfstandigen.   

Uiteindelijk werden ze tewerkgesteld aan veel lagere lonen dan beloofd. Ze kregen 250 euro per week cash. Ze werden gehuisvest op locaties die daar niet voor uitgerust waren, zoals een opslagruimte boven het restaurant. Soms werd er daarvoor huur afgetrokken van hun loon. Ze werkten lange dagen en kregen geen verlof. Voor meerdere werknemers werd door de hoofdbeklaagde een bankrekening geopend in België maar hij behield er zelf de controle over. Uit het onderzoek bleek dat er bedragen werden gestort op deze rekeningen maar dat deze nadien werden doorgestort op de rekening van de hoofdbeklaagde of die van zijn echtgenote.   

De beklaagden stelden zich heel controlerend op. Twee werknemers die niet meer akkoord gingen met de arbeidsvoorwaarden werden door de beklaagden onder dwang naar de luchthaven gebracht om een vlucht terug naar Turkije te nemen.   

Een andere werknemer vertrok vrijwillige terug naar Turkije omwille van de werkomstandigheden. Na zijn vertrek bedreigde de beklaagde hem omwille van een nog openstaande schuld. De beklaagden deinsden er ook niet voor terug om de werknemers die verklaringen hadden afgelegd bij de sociale inspectie te bedreigen.   

De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn, het gevolg van de coronapandemie en een niet te verantwoorden procedurele vertraging. De rechter hield daarmee rekening bij de straftoemeting.   

De beklaagden riepen ook in dat het onderzoek niet objectief gevoerd was en vroegen om meerdere getuigen te verhoren maar de rechtbank ging daar niet in mee.   

Alleen de hoofdbeklaagde en de vijfde beklaagde, een vennootschap, werden veroordeeld voor feiten van mensenhandel, en dat ten aanzien van vijf slachtoffers. De rechtbank kwam tot dat oordeel op basis van uiteenlopende elementen gesteund op de verklaringen van de slachtoffers en ander materieel bewijs: de valse beloftes, het lage loon, de woonomstandigheden, de werkomstandigheden, de controle over de bankrekening, de schijnzelfstandigheid, de terugkeer onder dwang naar Turkije.   

Ten aanzien van de andere slachtoffers meende de rechtbank dat er onvoldoende bewijzen waren. De tweede beklaagde en de achtste beklaagde werden vrijgesproken voor de feiten van mensenhandel. De werving van de slachtoffers was namelijk door de eerste beklaagde gebeurd. Het was niet aangetoond dat de tweede beklaagde en de achtste beklaagde wetens en willens rechtstreeks hadden meegewerkt of hadden bijgedragen aan het misdrijf mensenhandel. Het feit dat zij allebei instonden voor de bedrijfsvoering van de vijfde beklaagde, het restaurant, was onvoldoende om te stellen dat zij ook wetens en willens mee instonden voor de feiten van mensenhandel.   

De beklaagden werden veroordeeld voor de andere sociaalrechtelijke misdrijven, met een aantal vrijspraken voor specifieke feiten.   

De hoofdbeklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, met uitstel voor vijf jaar en tot een geldboete van 40.000 euro, met uitstel voor drie jaar. De vennootschap kreeg een geldboete van 24.000 euro, waarvan de helft met uitstel voor drie jaar. De andere beklaagden werden veroordeeld tot geldboetes tussen 9.600 euro en 52.800 euro, gedeeltelijk met uitstel.   

Er werden bijzondere verbeurdverklaringen bij equivalent uitgesproken van bedragen tussen 25.000 euro en 500.000 euro. Ook meerdere voertuigen werden verbeurdverklaard. Een deel van de verbeurdverklaringen werd toegewezen aan de burgerlijke partijen.  

Zeven slachtoffers, vijf met de Turkse nationaliteit en twee met de Syrische nationaliteit, hadden zich burgerlijke partij gesteld. Ten aanzien van vier van hen werden de veroordelingen voor mensenhandel weerhouden. De slachtoffers kregen morele schadevergoedingen tussen 1 euro en 500 euro en materiële schadevergoedingen variërend tussen 75 euro en 322.882,1 euro. Ook Myria en PAG-ASA stelden zich burgerlijke partij en kregen 2.500 euro schadevergoeding.   

Er werd beroep aangetekend tegen het vonnis.