In dit dossier veroordeelde de rechtbank negen beklaagden die deel uitmaakten van de Belgische filière van een internationale criminele organisatie voor de verzwaarde smokkel van een groot aantal slachtoffers, die voornamelijk de Vietnamese nationaliteit hadden. Hun aantal is niet bepaald, amper vijf slachtoffers werden geïdentificeerd. Myria stelde zich burgerlijke partij. 

Het proces had betrekking op tien uit Zuid-Vietnam afkomstige beklaagden, onder wie acht Belgen van Vietnamese origine en twee Vietnamezen. Negen beklaagden werden vervolgd voor mensensmokkel en criminele organisatie, terwijl een beklaagde alleen voor die laatste tenlastelegging werd vervolgd.  

De criminele organisatie vervoerde de slachtoffers binnen de Europese Unie, met als eindbestemming het Verenigd Koninkrijk, tegen de betaling van grote bedragen. Vertakkingen waren actief in Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland. De leiders van de filières stonden in contact met elkaar en maakten afspraken over de aantallen en de modaliteiten van het vervoer. Het vervoer verliep in gevaarlijke omstandigheden, met name in voor dat doel gemaakte caissons die in opleggers van vrachtwagens werden geïnstalleerd. Er werden sprays of spuitbussen, toxische producten, gebruikt om de geur van de vervoerde migranten te maskeren.

Het onderzoek werd in september 2022 opgestart na de interceptie van een voertuig door de politie van Schaarbeek. Aan boord werden er twee Vietnamese onderdanen zonder papieren aangetroffen. Zij spraken geen enkele landstaal en geen Engels. De gecombineerde analyse van hun telefoongegevens en het ANPR-onderzoek leidde tot de identificatie van de verschillende protagonisten van het Belgische netwerk.  

De eerste vrouwelijke beklaagde speelde een centrale rol in de Belgische filière. Zij zocht kandidaten voor de illegale immigratie en coördineerde het vervoer, voor haar rekening of voor rekening van andere klanten, leden van andere filières van de internationale organisatie. Haar manicuresalon was een ontmoetingsplaats, zij trad op als contactpersoon en gaf de andere leden van de organisatie instructies. 

Onder de beklaagden bevonden zich haar voormalige partner, haar zus, de voormalige echtgenoot van haar zus en de nieuwe partner van die voormalige echtgenoot. Volgens de rechter “(…) had elk lid van de criminele organisatie een bepaalde rol die dat netwerk van mensensmokkelaars in staat stelde om te functioneren: chauffeurs, kamerverhuurders, geldschieters en organisatoren van het vervoer van de migranten in auto’s of taxi’s, begeleiding van de migranten, zoeken en organisatie van onderdak voor de migranten, ontvangst van het geld, storting van het geld op bankrekeningen, contacten met andere criminele netwerken, zoeken van kandidaat-migranten, ...”.  

Twee beklaagden, die partners waren van elkaar, hadden ook voor rekening van de organisatie migranten onthaald en onderdak gegeven in een context van zwartwerk in hun twee manicuresalons. De partner had ook frauduleus, op aanraden van zijn vriendin, het vaderschap erkend van het kind van zijn schoonzoon en schoondochter, zodat die laatste een verblijfsvergunning voor gezinshereniging kon aanvragen en in hun salon kon werken. Volgens de telefoontaps leek de vriendin de organisatie te plannen van een aparte filière voor de toekenning van verblijfstitels in België met andere potentiële kandidaten voor de schijnerkenning van vaderschap. 

Een telefonieonderzoek, een bankonderzoek, observaties, een analyse van bewakingsbeelden en in beslag genomen computers, verhoren en confrontaties van de beklaagden werden uitgevoerd. Er gebeurden huiszoekingen in hun woning en in de manicuresalons. 

De rechter weerhield de tenlastelegging van verzwaarde mensensmokkel voor de negen beklaagden. De rechtbank meende dat de directe of indirecte hulp aan de migranten verschillende vormen aannam: de aanbetaling of betaling van de reiskosten; het boeken van reistickets, het bezit van reis- of identiteitsdocumenten; het onderdak bieden aan de slachtoffers, met name in safehouses in Brussel; de betaling van een huurwaarborg; of zwartwerk, dat hun komst naar of verblijf op het grondgebied vergemakkelijkte. De rechter hield rekening met de illegale of precaire administratieve situatie van de slachtoffers, het feit dat zij alleen Vietnamees spraken en volledig afhankelijk waren van de smokkelaars. De rechter verwierp de door de beklaagden aangevoerde filantropische motieven. Hij meende dat winstbejag de drijfveer was, met het financiële voordeel uit de kosten van het vervoer, de voeding en de huisvesting, of nog door de aanwerving van sommige slachtoffers tegen een laag loon in ruil voor de geboden hulp. Uit het onderzoek bleek ook dat er sprake was van schuldbinding. 

De tien beklaagden werden veroordeeld voor criminele organisatie, terwijl het koppel dat een fictief vaderschap had erkend werd veroordeeld voor valsheid in geschrifte.   

Op een mannelijke beklaagde na, die tot een werkstraf werd veroordeeld, werden de andere beklaagden veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee tot zes jaar en tot een geldboete van 4.000 tot 120.000 euro, beide straffen voor bepaalde beklaagden met uitstel. Een vrouwelijke beklaagde kreeg evenwel een opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende vijf jaar. Alle beklaagden werden voor vijf jaar uit hun rechten ontzet. 

In hoofde van een mannelijke beklaagde werd er een facultatieve verbeurdverklaring van 770 euro uitgesproken. De negen voor mensensmokkel veroordeelde beklaagden werden veroordeeld tot de betaling aan Myria van een vergoeding ex aequo et bono van 2.500 euro voor morele en materiële schade. De onmiddellijke aanhouding werd bevolen van de voormalige partner van de hoofdbeklaagde, die verstek liet gaan op het proces.

Tegen deze beslissing werden beroep en verzet aangetekend.