De rechtbank boog zich over een dossier rond mensenhandel met het oog op economische uitbuiting in de bouwsector ten aanzien van vijftien slachtoffers die voornamelijk de Afghaanse en de Iraanse nationaliteit hadden. De beklaagde, een vrouw met de Nederlandse nationaliteit, werd daarnaast vervolgd voor inbreuken tegen het sociaal strafrecht.   

Het dossier werd in 2017 opgestart na een oproep naar de politie door een slachtoffer dat ruzie had met de beklaagde. Toen de politie ter plaatste kwam, stelde zij vast dat er in een leefruimte meerdere mannen aanwezig waren alsook werkmateriaal waardoor er vermoed werd dat het bedrijf gevestigd was op het adres. In de jaren nadien ontving de politie nog andere klachten ten aanzien van de beklaagde.   

Uit het onderzoek bleek dat de beklaagde vooral mensen in onwettig verblijf en asielzoekers ronselde aan opvangcentra om voor haar te werken in de bouw: vooral afbraakwerken, metselwerk en soms schoonmaakklusjes. Ze beloofde om hen te betalen en hun papieren te regelen. In werkelijkheid liet ze de mannen heel lange dagen werken, tussen twaalf en vijftien uren per dag, zeven dagen op zeven. Zij werden niet of nauwelijks betaald. Ze kregen nauwelijks genoeg te eten en hadden geen geld om eten te kopen. Velen leden honger aangezien zij een fysiek zware job uitoefenden. Als ze toch een loon ontvingen, werd daar huur van afgetrokken. Ze mochten bij de beklaagde verblijven, vaak in mensonwaardige omstandigheden (met vier personen in een kamer op de grond). Meestal moesten de arbeiders wonen op de werven waar ze werkten. Zij sliepen er op de grond, er waren geen sanitaire voorzieningen, geen elektriciteit of warm water. Ze kregen geen beschermingskledij. Als ze zich tijdens het werk kwetsten, kregen ze geen verzorging en moesten ze gewoon voortwerken. Als werknemers om hun geld vroegen, werd de beklaagde agressief en bedreigde zij hen of dreigde ze ermee naar de politie te stappen zodat ze het land zouden worden uitgezet. Toen een van de slachtoffers te ziek was om te werken werd hij van de ene dag op de andere op straat gezet.   

Alle ondernemingen stonden op naam van haar kinderen. Het geld dat ze verdienden bracht zij onmiddellijk naar Nederland.   

De rechtbank achtte de feiten van mensenhandel en de verzwarende omstandigheden bewezen ten aanzien van de vijftien personen. De rechtbank verwees naar de gelijklopende verklaringen van de werknemers; allemaal voelden zij zich misbruikt. De werkomstandigheden waren in strijd met de menselijke waardigheid: de lange werkdagen, de veel te lage (soms zelfs onbestaande) verloning, het gebrek aan sociale bescherming, de uitoefening van moreel geweld, de volledige afhankelijkheid wat het vervoer betreft en de slechte huisvesting. Zij maakte misbruik van hun precaire (administratieve) situatie. Ze ging ook specifiek in opvangcentra voor asielzoekers op zoek naar de meest kwetsbaren: diegenen die de taal niet spraken en zich in een precaire verblijfssituatie bevonden. Ze wees meerdere slachtoffers erop dat zij niet naar de politie konden gaan omdat ze in de illegaliteit leefden.   

De rechtbank oordeelde wel dat de er enige overschrijding van de redelijke termijn was.   

De beklaagde had geen blanco strafblad en werd uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en tot een geldboete van 112.000 euro, allebei gedeeltelijk met uitstel.   

Acht slachtoffers hadden zich burgerlijke partij gesteld en kregen de gevorderde loonderving tussen 12.847 euro en 92.311 euro, naast morele schadevergoedingen tussen 300 euro en 2.000 euro.   

Deze beslissing is definitief.