Correctionele rechtbank van Brugge, 21 februari 2025
De rechtbank boog zich over een dossier inzake economische uitbuiting in de vleesverwerkingsindustrie, waarin er vier beklaagden werden vervolgd. De beklaagden, drie mannen en een vrouw, hadden de Marokkaanse, de Belgische en de Nederlandse nationaliteit. Alleen de eerste beklaagde, de tweede beklaagde en de vierde beklaagde werden vervolgd voor mensenhandel met verzwarende omstandigheden (gezag, misbruik van een kwetsbare situatie, gewoonte) ten aanzien van in totaal zeventien slachtoffers. De drie beklaagden werden eveneens vervolgd voor meerdere inbreuken tegen het sociaal strafrecht, zoals het tewerkstellen van buitenlandse werknemers zonder verblijfsvergunning. De derde beklaagde werd alleen vervolgd voor het uiten van bedreigingen.
De zaak kwam begin 2020 aan het licht na een klacht van een slachtoffer voor slagen en verwondingen tegen de eerste beklaagde, zijn werkgever die hem niet wilde uitbetalen. De inspectiediensten startten een onderzoek en stelden vast dat hoewel er maar twee werknemers waren ingeschreven de zaak toch een aanzienlijke omzet realiseerde. Meerder vennootschappen kwamen daarbij in beeld.
De beklaagden hadden een eenmanszaak die actief was in de kippenvleessector. De eerste beklaagde was de zaakvoerder van een vennootschap ondanks een eerder verbod om nog activiteiten in persoonlijke naam te ontplooien. De firma stond op de naam van zijn echtgenote, de derde beklaagde. Uit het onderzoek bleek dat ook de tweede beklaagde, de broer van de eerste beklaagde, nauw betrokken was bij de activiteiten.
Er werd uiteindelijk een gerechtelijk onderzoek gevoerd met observaties, afluistermaatregelen, uitlezing van telefoons, verhoren van zowel verdachten als werknemers en huiszoekingen.
Tijdens het onderzoek kwamen ook de activiteiten van de vierde beklaagde aan het licht. De eerste beklaagde kocht kippenvlees aan bij de vierde beklaagde.
Uit het onderzoek bleek dat de beklaagden meerdere personen in onwettig verblijf tewerkstelden in hun vleesverwerkingsbedrijf. De personen kregen lonen tussen 6 euro en 8 euro per uur voor lange shiften van zeven tot elf uren. Ze hadden geen vast uurrooster en werkten als “op afroep” zodra zij werden opgebeld door de beklaagden. Ze moesten vaak nacht- en weekendwerk verrichten zonder daarvoor extra te worden betaald. Zij kregen geen beschermingskledij, maar moesten zelf handschoenen kopen voor 10 euro. Er waren op de werkplek geen faciliteiten voor werknemers, zelfs geen toilet. Ze moesten soms urenlang in gekoelde ruimtes werken met nauwelijks pauzes. Bij arbeidsongevallen moesten ze gewoon voortwerken met een plastic zak rond de snijwonde. Zij werden gecontroleerd via camera’s. Als ze het met iets oneens waren, werden zij gewoon op straat gezet. De tweede beklaagde was zelf in een precaire verblijfssituatie in België (hij had een Spaanse verblijfskaart) maar hielp zijn broer in het bedrijf. Hij belde werknemers op om te komen werken en gaf instructies en opdrachten. Hij moest volgens de rechtbank eveneens als werkgever worden beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat de feiten van mensenhandel en de verzwarende omstandigheden bewezen waren alsook de sociaalrechtelijke misdrijven.
De derde beklaagde had de burgerlijke partij, na wiens klacht het strafonderzoek gestart was, bedreigd en gezegd dat er hem iets zou gebeuren indien hij zijn klacht niet zou intrekken. Zij werd daarvoor vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.
De eerste beklaagde en de tweede beklaagde werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk achttien maanden en vijftien maanden en tot geldboetes van 48.000 euro (allebei voor een deel met uitstel).
De vierde beklaagde had al een strafblad. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en tot een geldboete van 88.000 euro (voor een deel met uitstel).
Er werden bijzondere verbeurdverklaringen uitgesproken van 37.750 euro en 45.000 euro.
Twee slachtoffers stelden zich burgerlijke partij. Ook Payoke en Myria stelden zich burgerlijke partij. De slachtoffers kregen respectievelijk een schadevergoeding voor de gederfde lonen van 54.086,45 euro en 4.234,80 euro en een morele schadevergoeding van 1.000 euro. De verbeurdverklaringen werden aan de slachtoffers toegewezen. Myria en Payoke kregen schadevergoedingen van respectievelijk 2.500 euro en 2.750 euro.
Er werd beroep aangetekend tegen het vonnis.