Hof van beroep van Brussel, 21 november 2024
Het hof van beroep boog zich over een zaak van mensenhandel met het oog op de economische uitbuiting van huishoudpersoneel bij diplomaten. De beklaagden waren al in een verzetsvonnis van 22 juni 2023 door de Nederlandstalige correctionele rechtbank van Brussel veroordeeld voor de feiten.
De beklaagden waren diplomaten uit Koeweit. Ze werden ook vervolgd voor het wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouden van het slachtoffer, het niet-uitbetalen van lonen en andere inbreuken tegen het sociaal strafrecht.
Het slachtoffer, een vluchtelinge uit Ethiopië, werkte sinds 2012 bij de beklaagden als huishoudhulp in Koeweit. In 2017 kwam zij samen met het gezin naar België. Het slachtoffer moest zeven dagen op zeven werken en de klok rond klaarstaan voor het gezin. Ze had geen contact met de buitenwereld, geen eigen leven en amper persoonlijke bezittingen. Zij verdiende nauwelijks geld. Ze moest eten wat er overbleef wanneer het gezin gegeten had. Als de familieleden boos waren, scholden zij haar uit. Ze mocht het huis niet verlaten. Als het gezin er niet was, werd het huis afgesloten. Het koppel hield haar paspoort bij. Ze kon pas ontsnappen toen het koppel ’s nachts de sleutels op de deur had laten zitten. Zij vluchtte en werd opgevangen door PAG-ASA. Samen met een sociaal assistente van een opvangcentrum voor asielzoekers legde zij klacht neer bij de politie.
In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de feiten inzake mensenhandel bewezen waren. De beklaagden hadden beroep aangetekend tegen deze beslissing.
Net zoals de rechtbank oordeelde het hof dat de beklaagden geen immuniteit meer genoten ingevolge het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Volgens dat verdrag houden de immuniteit en de voorrechten op te bestaan wanneer het diplomatiek personeel en hun gezinsleden het land verlaten. Bovendien had de tewerkstelling van het slachtoffer in het huishouden geen verband met de diplomatieke zending van de beklaagde. De beklaagden waren intussen teruggekeerd naar Koeweit.
Tijdens de beroepsprocedure wierpen de beklaagden op dat de verklaringen van het slachtoffer niet strookten met de waarheid. Het slachtoffer was niet opgesloten, beschikte over een eigen gsm en ontving wel degelijk een loon. Volgens het hof konden de – soms tegenstrijdige – verklaringen van het slachtoffer niet worden geverifieerd op basis van andere elementen. Toch meende het hof dat de tewerkstelling in strijd was met de menselijke waardigheid en dat er dus sprake was van mensenhandel. Het slachtoffer was met een toeristenvisum naar België gebracht en bevond zich derhalve in een precaire verblijfssituatie, haar tewerkstelling was nooit aangegeven, haar inkomen hing af van de welwillendheid van de beklaagden. Ze was dus volledig afhankelijk van de beklaagden voor onderdak en levensonderhoud.
De beklaagden werden wel vrijgesproken voor de gevangenhouding van het slachtoffer maar niet voor de andere sociaalrechtelijke inbreuken.
De beklaagden kregen een gevangenisstraf van twaalf maanden met uitstel op drie jaar en een geldboete van 40.000 euro. De schadevergoeding voor het slachtoffer werd bevestigd door het hof. Het slachtoffer kreeg een materiële (33.327,44 euro, zijnde de achterstallige lonen) en een morele (5.000 euro) schadevergoeding.
Tegen dit beslissing is cassatie aangetekend.