In dit verstekvonnis oordeelde de correctionele rechtbank over drie beklaagden (twee beklaagden met de Nederlandse nationaliteit en een vennootschap), die vervolgd werden voor meerdere inbreuken op het sociaal strafrecht en voor feiten van mensenhandel ten aanzien van vijf personen, vier met de Indiase nationaliteit en een met de Afghaanse nationaliteit.

De onderneming rekruteerde personen die voornamelijk van Indiase origine waren om hen in België als kok tewerk te stellen, met beloftes rond een degelijk loon en een verblijfstitel. De Afghaanse werknemer had een gecombineerde vergunning in België. Twee andere werknemers werden aanvankelijk naar België gehaald met een gecombineerde vergunning. Nadat hun gecombineerde vergunningen ingetrokken waren, bleven ze er werken.

Ze leefden in erbarmelijke omstandigheden boven de restaurants waarbij er nauwelijks sanitaire voorzieningen waren. Ze moesten afwisselend in verschillende restaurants in Vlaanderen werken en slapen (Liedekerke, Oostende, Antwerpen). In de vestiging in Antwerpen diende een van de voormalige werknemers op een matras op de grond te slapen en waren er geen douchefaciliteiten. De woonaccommodatie in Liedekerke was evenzeer erbarmelijk.

De werknemers verkeerden in de waan dat ze officieel werkten in België met een verblijfs- en werkvergunning.

De werknemers verrichtten zeven dagen op zeven arbeid zonder vakantie en werden daarenboven helemaal niet of maar een fractie (via een derde) betaald voor hun arbeidsprestaties, terwijl er hun een loon tussen

1.000 en 1.200 euro was beloofd. Beloftes over het loon werden niet nagekomen en weerhielden hen ervan om in opstand te komen tegen de werkgever uit angst om zowel hun verblijf als het loon te verliezen.

Tijdens het onderzoek bleek dat de vennootschap op grote schaal werknemers liet overkomen met een gecombineerde vergunning, terwijl de vennootschap niet kapitaalkrachtig genoeg was om de lonen uit te betalen. De rechtbank achtte de eerste en de derde beklaagde op basis van deze elementen schuldig aan mensenhandel ten aanzien van vier slachtoffers en aan de inbreuken op het sociaal strafrecht.

Ze werden veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en tot een geldboete van 12.000 euro. De tweede beklaagde, de vennootschap, was intussen vereffend. Er werd een verbeurdverklaring van 41.326,61 euro uitgesproken.

Tegen deze beslissing is verzet aangetekend en op 28 februari 2024 werd een verzetsvonnis gewezen door de Nederlandstalige correctionele rechtbank van Brussel.