De rechtbank sprak zich in een verzetsvonnis uit over feiten van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting in een restaurant ten aanzien van vijf slachtoffers, met de Indiase en de Afghaanse nationaliteit. 

Twee beklaagden met de Nederlandse nationaliteit maar van Indiase origine werden ook vervolgd voor inbreuken tegen het sociaal strafrecht. In de verstekprocedure waarvan het vonnis werd gewezen door de Nederlandstalige correctionele rechtbank van Brussel op 22 juni 2022 werd er aanvankelijk eveneens een vennootschap vervolgd, die intussen ontbonden werd.  Tegen deze beslissing is verzet aangetekend en op 28 februari 2024 werd een verzetsvonnis gewezen door de Nederlandstalige correctionele rechtbank van Brussel. 

De beklaagden baatten meerdere Indische restaurants in Vlaanderen uit waarin er tijdens controles meerdere werknemers werden aangetroffen.   

De beklaagden rekruteerden personen, voornamelijk in India, om hen in België als kok aan het werk te zetten, met beloftes rond een goed loon en een verblijfstitel. Sommigen werden tewerkgesteld via een gecombineerde vergunning, anderen hadden helemaal geen verblijfsdocumenten. Zij werden in het ongewisse gelaten over hun verblijfs- en arbeidsvergunningen.   

Ze moesten lange dagen werken en hadden nooit verlof. Zij werden niet betaald of amper een fractie van wat er hun beloofd was. Hun leefomstandigheden waren erbarmelijk; ze sliepen boven de restaurants waar er nauwelijks sanitaire voorzieningen waren. Zij moesten afwisselend in verschillende restaurants in Vlaanderen werken en slapen (Liedekerke, Oostende, Antwerpen). De werknemers waren afhankelijk van de beklaagden. Ze durfden niet in opstand te komen, omdat zij vreesden hun verdiende inkomsten te verliezen.   

In het verzetsvonnis van 28 februari 2024 achtte de rechtbank de feiten inzake mensenhandel en de verzwarende omstandigheden bewezen. Ook de andere sociaalrechtelijke tenlasteleggingen waren bewezen.  

De beklaagden werden allemaal veroordeeld tot gevangenisstraffen van twee jaar en tot geldboetes van 12.000 euro. Een bedrag van 20.663 euro werd verbeurdverklaard.   

Een slachtoffer met de Indiase nationaliteit stelde zich burgerlijke partij. Hij kreeg een materiële schadevergoeding van 7.000 euro en een morele schadevergoeding van 4.000 euro. De verbeurdverklaarde gelden werden voor een deel toegewezen aan de burgerlijke partij.   

Er werd beroep aangetekend tegen de beslissing.