Hof van beroep van Brussel, 24 oktober 2022
Het hof boog zich over een zaak van mensenhandel in de sector van het huishoudelijk werk, die op 2 oktober 2018 in eerste aanleg werd berecht door de correctionele rechtbank van Waals-Brabant. Een Britse beklaagde werd vervolgd voor sociaalrechtelijke inbreuken en mensenhandel met verzwarende omstandigheden van een Congolese vrouw die zich burgerlijke partij stelde. De beklaagde had de werkneemster in Kinshasa aangeworven om voor haar zevenjarige zoon met een mentale handicap te zorgen. Tijdens haar bezoeken aan België vergezelde de werkneemster de beklaagde met toeristenvisa die zij aanvroeg voor de zorg die zij aan de jongen verleende. Ook nadat de beklaagde zich definitief in België gevestigd had, bleef zij voor het jongetje zorgen. De werkneemster moest eveneens het huishouden doen (schoonmaken, koken, afwassen en de was doen).
De rechtbank bevestigde de inbreuken op het sociaal strafrecht en de tenlastelegging mensenhandel. Het slachtoffer moest zeven dagen op zeven werken, van 6 uur ‘s ochtends tot 11 uur ‘s avonds, voor een maandsalaris van 200 dollar (een dagloon van 6,6 dollar). Volgens de berekeningen van de sociale inspectie bedroeg haar verloning nauwelijks 11% van die waar ze recht op zou hebben gehad op basis van een voltijdse baan, zijnde 1.604,45 euro bruto. Ze genoot geen enkele sociale bescherming en woonde in een wasruimte in de kelder, waar ze op een sofa sliep en geen toegang had tot een badkamer. Om zich te wassen, moest ze boven water halen met een emmer. Bovendien werd haar paspoort afgenomen toen ze in België verbleef.
De rechtbank hechtte veel geloof aan de verklaringen van het slachtoffer. Ze gelastte tegenover de beklaagde de gewone opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende vijf jaar en veroordeelde haar tot betaling aan de burgerlijke partij van 1.500 euro voor de morele schade en 62.625 euro voor de materiële schade.
De beklaagde en het Openbaar Ministerie tekenden beroep aan.
Het hof bevestigde de veroordeling voor mensenhandel, met inbegrip van de verzwarende omstandigheid dat de burgerlijke partij kwetsbaar was als gevolg van haar precaire administratieve en sociale situatie, die haar geen andere keuze liet dan voor de beklaagde te werken en met haar samen te leven. Het hof hield rekening met het feit dat de burgerlijke partij kon lezen noch schrijven, zelf geen administratieve stappen kon ondernemen en tijdens elk verblijf in België haar paspoort aan de beklaagde afstond. Het hof bevestigde het vonnis met betrekking tot de inbreuken op het sociaal strafrecht, maar beperkte die in de tijd, en sprak de beklaagde vrij voor de tenlastelegging rond het niet-indienen van een Dimona-aangifte.
De beklaagde werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met uitstel voor drie jaar, en tot een boete van 2.400 euro.
De veroordeling tot betaling van 64.125 euro materiële en morele schadevergoeding aan de burgerlijke partij werd behouden.