Nederlandstalige correctionele rechtbank van Brussel, 19 januari 2023
De rechtbank sprak zich uit over een zaak waarin een beklaagde met de Belgische nationaliteit en een Belgische vennootschap werden vervolgd voor mensenhandel met verzwarende omstandigheden en andere inbreuken op het sociaal strafrecht, zoals het niet-betalen van het loon. Het dossier werd samengevoegd met een ander dossier rond overtredingen van de Brusselse Wooncode.
Het slachtoffer met de Kameroense nationaliteit stelde zich burgerlijke partij.
Er vond een gecoördineerde controle plaats in oktober 2020 door de inspectiediensten van de RSZ, RSVZ en TSW, vergezeld van de politiediensten in de panden waarvan de vennootschap eigenaar was. Tijdens deze controle werden er meerdere werknemers aangetroffen, onder wie de burgerlijke partij. Het slachtoffer had geen wettig verblijf en werd gehuisvest op de site van de vennootschap, in twee kleine kamertjes. Enkele dagen later vond er een controle plaats door de Wooninspectie. Die besloot dat het pand onbewoonbaar was.
De rechtbank veroordeelde de beklaagden voor mensenhandel. Uit het dossier bleek dat het slachtoffer sinds 2011 voor de beklaagden werkte. Die waren van meet af aan op de hoogte van zijn onwettige verblijf in België. De rechtbank volgde de redenering niet dat de beklaagden uit goedhartigheid financiële en materiële steun boden.
Het slachtoffer was negen jaar lang volledig afhankelijk van de beklaagden. Hij kreeg de loze belofte dat zijn verblijf in België zou worden geregulariseerd, en dat hij in de toekomst handel zou kunnen voeren voor de vennootschap met Centraal-Afrika. Zijn uurrooster was normaal, vijf dagen per week, maar hij werd sterk onderbetaald en kreeg zijn overuren niet vergoed. Hij verdiende 7 euro per uur of 1.300 euro per maand voor een voltijdse job, waarvan hij 400 euro als huur moest afstaan voor een onbewoonbaar pand. De overige 900 euro werden vaak niet tijdig uitbetaald of in kleine bedragen als het de beklaagden uitkwam. Dat was volgens de rechtbank een methode om het slachtoffer aan zich te binden en controle over hem te houden, zodat hij in een zwakke positie bleef. Het slachtoffer had geen vrije keuze en zijn bewegingsmogelijkheden werden ernstig beknot. Dat is misbruik van de gezagspositie als werkgever en van de precaire economische en administratieve situatie van het slachtoffer. De rechter beschouwde dat als een mensonwaardige behandeling. Ook de verzwarende omstandigheden werden bewezen geacht.
De eerste beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met uitstel op vijf jaar en tot een geldboete van 8.000 euro. De vennootschap werd veroordeeld tot een geldboete van 48.000 euro. Er werden hoge bedragen verbeurdverklaard.
Het slachtoffer kreeg een materiële schadevergoeding van 48.602 euro (het minimale loon voor de geleverde prestaties) en 32.650 euro (de afgehouden huurgelden voor een onbewoonbare woonst) en een morele schadevergoeding van 4.500 euro.
Er werd beroep aangetekend tegen de beslissing.