Het hof van beroep boog zich over een zaak rond mensenhandel, die betrekking heeft op de uitbuiting van meerdere jonge vrouwen door een Belgische beklaagde.

In eerste aanleg veroordeelde de correctionele rechtbank van Luik in een vonnis van 22 november 2023 beklaagde voor mensenhandel onder verzwarende omstandigheden van een Venezolaans slachtoffer (burgerlijke partij) en voor de organisatie van de prostitutie van die laatste en van zes andere vrouwen. Zij waren allemaal van Zuid-Amerikaanse origine (Venezuela, Brazilië en Colombia).  

Het onderzoek werd in 2020 opgestart na een melding bij de politie door de echtgenote van een advocaat die zijn kantoor had in het gebouw waar de feiten van prostitutie werden gemeld. Na een huiszoeking bij heterdaad in juni in het appartement werden een dame die naar het appartement ging en drie andere dames in het appartement, van wie er één bezig was met een klant, geïdentificeerd aan de hand van hun paspoort. Er werd materiaal aangetroffen dat bestemd was voor prostitutie. Dankzij hun verhoor werden er andere vrouwen geïdentificeerd die bij de prostitutieactiviteiten betrokken waren en die eveneens achtereenvolgens in het appartement waren ondergebracht.  

De huurovereenkomst was afgesloten tussen de eigenaar en een van de slachtoffers die zich had voorgedaan als werkneemster van een ngo en vergezeld werd door de beklaagde die vertaalde. Die laatste had de huurwaarborg betaald en was de contactpersoon voor de eigenaar. Uit de verklaringen van de verschillende slachtoffers bleek dat zij huur moesten betalen aan die werkneemster en vervolgens aan de beklaagde die extreem hoge prijzen hanteerde. Hij vroeg elk meisje gemiddeld 250 euro per week, terwijl de huur voor de eigenaar gemiddeld 690 euro per maand bedroeg. De beklaagde kon worden geïdentificeerd op basis van zijn telefoonnummer dat de slachtoffers hadden meegedeeld.  

De burgerlijke partij verklaarde dat de beklaagde in 2016 met haar contact had opgenomen op een datingsite en dat ze twee jaar lang met hem had gechat. Hij zou haar geld hebben beloofd voor haarzelf en haar familie, een huwelijk en kinderen, alsook de mogelijkheid om haar tienjarige zoon naar België over te laten komen. Hij zou haar schoonmaakwerk in zijn restaurant in Luik hebben voorgesteld, maar ook gesproken hebben over sekswerk, zij het voor amper twee maanden. Onder zijn invloed verliet ze Venezuela te voet in februari 2018 om in Colombia het vliegtuig te nemen en via Madrid naar Brussel te reizen, waar de beklaagde haar opwachtte. Die laatste zou vervolgens de terugbetaling van de vliegreis ten belope van 1.300 euro hebben geëist. Zij verklaarde dat ze zich zeven dagen op zeven moest prostitueren, met acht à tien klanten per dag, van 8 tot 21 of 23 uur. De helft van de winst moest aan de beklaagde worden betaald, naast de huur en de lasten. 

Uit het onderzoek bleek dat de beklaagde op dezelfde manier zou hebben gehandeld als ‘vriendje’ van andere slachtoffers die hij liet overkomen uit Zuid-Amerika. Hij legde hun de tarieven, de klanten, het ritme, de prostitutieplaats, het gedrag, alsook sommige soorten seksuele diensten, met name van het type ‘slavin’, op en eiste een bepaalde rentabiliteit. De jonge vrouwen werden vervangen zodra zij ziek werden. De rechtbank wees op een zeker professionalisme bij de plaatsing van de slachtoffers, zelfs bij de directe werving van sommigen en het bestaan van een abnormaal economisch voordeel gezien de buitensporige prijzen die werden gevraagd. Door die prostitutie-activiteiten genoot hij een hogere levensstandaard dan met zijn uitkering van het ziekenfonds.  

De rechtbank achtte de beklaagde schuldig aan mensenhandel ten aanzien van de burgerlijke partij, omdat hij zijn charmes had gebruikt om haar te werven en omdat hij haar had vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgevangen. Hij had “de controle over haar genomen”. De rechtbank nam voor de beide tenlasteleggingen de verzwarende omstandigheid van misbruik van kwetsbaarheid in aanmerking, gezien de precaire administratieve, financiële en sociale situatie van de slachtoffers. De rechtbank herinnerde er daarnaast aan dat het ontbreken van een andere echte en aanvaardbare keuze dan zich te laten misbruiken, zoals bepaald in artikel 433septies, 2° van het Strafwetboek, geen volwaardig bestanddeel is van de verzwarende omstandigheid misbruik van de kwetsbaarheid. Daarmee wees ze er opnieuw op dat de kwetsbare situatie van het slachtoffer noodzakelijkerwijs tot het ontbreken van een dergelijke keuze leidt. Instemming is daarbij irrelevant.  

De beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en tot een boete van 56.000 euro, allebei gedeeltelijk met uitstel. Een verbeurdverklaring per equivalent werd uitgesproken van 113.370 euro. Daarvan werd er 51.000 euro aan de burgerlijke partij toegekend als materiële schadevergoeding. In afwachting van een deskundigenonderzoek op tegenspraak om de morele schadevergoeding te evalueren, werd de beklaagde veroordeeld tot de betaling van een provisionele som van 4.000 euro. 

De beklaagde en het Openbaar Ministerie tekenden beroep aan. Op 26 november 2024 bevestigde het hof van beroep het vonnis op strafrechtelijk en burgerrechtelijk vlak, met uitzondering van de gevangenisstraf, die werd verhoogd tot zeven jaar zonder uitstel, en van de periode van het misdrijf, die werd gepreciseerd en geïndividualiseerd voor vier slachtoffers. Het hof verwees de zaak door naar de correctionele rechtbank van Luik voor de rest van de eisen van de burgerlijke partij na de voltooiing van de expertise. In tegenstelling tot de eerste rechter beval het hof de onmiddellijke aanhouding van de beklaagde. 

De beklaagde ging in cassatie maar zijn cassatieberoep werd door het Hof van Cassatie verworpen.