Correctionele rechtbank van Luik, 22 november 2023
De rechtbank heeft een Belgische beklaagde veroordeeld voor mensenhandel onder verzwarende omstandigheden ten aanzien van een Venezolaans slachtoffer (burgerlijke partij) en voor de organisatie van de prostitutie van die laatste en zes andere vrouwen. Ze waren allemaal van Zuid-Amerikaanse origine (van Venezuela, Brazilië en Colombia). De feiten werden gepleegd in Luik en samenhangend in Brussel tussen 2018 en 2020.
Het onderzoek werd opgestart in januari 2020 na een melding bij de politie door de echtgenote van een advocaat van wie het kantoor zich binnen het gebouw bevond waarin de feiten van prostitutie werden gemeld. Na een huiszoeking bij heterdaad in juni in het appartement werden een dame die naar het appartement ging en drie andere dames in het appartement, van wie er één een klant had, geïdentificeerd aan de hand van hun paspoort. Er werd materiaal aangetroffen dat bestemd was voor prostitutie. Dankzij hun verhoor werden andere vrouwen geïdentificeerd die bij de prostitutieactiviteiten betrokken waren en die eveneens achtereenvolgens in het appartement waren ondergebracht.
De huurovereenkomst was afgesloten tussen de eigenaar en een van de slachtoffers die zich had voorgedaan als werkneemster van een ngo en vergezeld werd door de beklaagde die vertaalde. Die laatste had de huurwaarborg betaald en was de contactpersoon voor de eigenaar. Uit de verklaringen van de verschillende slachtoffers bleek dat zij huur moesten betalen aan die werkneemster en vervolgens aan de beklaagde die extreem hoge prijzen vroeg. Hij vroeg elk meisje gemiddeld 250 euro per week, terwijl de huur voor de eigenaar gemiddeld 690 euro per maand bedroeg. Hij kon worden geïdentificeerd op basis van zijn telefoonnummer dat de slachtoffers hadden meegedeeld.
De burgerlijke partij verklaarde dat de beklaagde in 2016 met haar contact had opgenomen op een seksdatingsite en dat ze twee jaar lang met hem had gecommuniceerd. Hij zou haar geld hebben beloofd voor haarzelf en haar familie, een huwelijk en kinderen, alsook de mogelijkheid om haar tienjarige zoon naar België over te laten komen. Hij zou haar schoonmaakwerk in zijn restaurant in Luik hebben voorgesteld, maar ook gesproken hebben over sekswerk, zij het voor amper twee maanden. Onder zijn invloed heeft ze Vargas in Venezuela te voet verlaten in februari 2018 om naar de grens met Colombia te trekken.
Vervolgens is ze van Cúcuta naar Bogotá gegaan om daar een eerste vliegtuig richting Madrid te nemen en een tweede naar de luchthaven van Brussel waar de beklaagde haar opwachtte. Die laatste zou vervolgens de terugbetaling van de vliegreis ten belope van 1.300 euro hebben geëist. Zij verklaarde dat ze zich zeven dagen op zeven moest prostitueren, met acht à tien klanten per dag, van 8 tot 21 of 23 uur. De helft van de winst moest aan de beklaagde worden betaald, naast de huur en de lasten.
De bankrekening en de telefoon van de beklaagde werden geanalyseerd. Uit het onderzoek bleek dat de beklaagde op dezelfde manier zou hebben gehandeld als ‘vriendje’ van andere slachtoffers die hij liet overkomen uit Zuid-Amerika. Hij legde hun de tarieven, de klanten, het ritme, de prostitutieplaats, het gedrag, alsook sommige soorten seksuele diensten, met name van het type ‘slavin’, op en eiste een bepaalde rentabiliteit. De jonge vrouwen werden vervangen zodra zij ziek werden. De rechtbank wijst op een zeker professionalisme bij de plaatsing van de slachtoffers, zelfs bij de directe werving van sommigen en het bestaan van een abnormaal economisch voordeel gezien de buitensporige prijzen die werden gevraagd. Dankzij die prostitutie-activiteiten genoot hij een hogere levensstandaard dan met zijn uitkering van het ziekenfonds.
De rechtbank heeft aangestipt dat de feiten gedeeltelijk voor de inwerkingtreding van de nieuwe seksuele strafwet van 21 maart 2022 werden gepleegd en heeft het principe van de toepassing van de strafwet in de tijd toegepast. Hoewel de bepaling over het vastgoedsouteneurschap geschrapt werd, heeft de rechtbank geoordeeld dat het nog altijd strafbaar wordt gesteld door de nieuwe bepaling over het pooierschap, omdat de terbeschikkingstelling of verhuur van een goed een handeling vormt die prostitutie faciliteert. Het heeft weinig belang of de betrokken persoon al dan niet eigenaar is van de verhuurde kamers.
De rechtbank heeft de beklaagde schuldig bevonden aan mensenhandel ten aanzien van de burgerlijke partij, omdat hij zijn charmes gebruikt had om haar te werven en omdat hij haar had vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgevangen. Hij had “de controle over haar genomen”. De rechtbank heeft voor de beide tenlasteleggingen de verzwarende omstandigheid van misbruik van kwetsbaarheid weerhouden gezien de administratieve, financiële en sociale situatie van de slachtoffers. De rechtbank heeft ook herhaald dat het ontbreken van een andere echte en aanvaardbare keuze dan zich te laten misbruiken, zoals bepaald in artikel 433septies, 2° van het Strafwetboek, geen volwaardig bestanddeel is van de verzwarende omstandigheid misbruik van de kwetsbaarheid. Daarmee wijst ze er opnieuw op dat de kwetsbare situatie van het slachtoffer noodzakelijkerwijs tot het ontbreken van een dergelijke keuze leidt. Haar instemming is daarbij irrelevant.
De beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en tot een boete van 56.000 euro, allebei gedeeltelijk met uitstel. Een verbeurdverklaring werd uitgesproken van een overeenstemmend bedrag van 113.370 euro, dat het equivalent is van de illegale activa die voortvloeien uit de prostitutie. Daarvan werd 51.000 euro aan de burgerlijke partij toegekend als materiële schadevergoeding. In afwachting van een deskundigenonderzoek op tegenspraak om de morele schade te evalueren, werd de beklaagde veroordeeld tot de betaling van een provisionele som van 4.000 euro.
De beklaagde en het Openbaar Ministerie tekenden beroep aan. Op 26 november 2024 bevestigde het hof van beroep grotendeels het vonnis.