Hof van beroep van Brussel, 24 april 2024
Het hof van beroep heeft uitspraak gedaan in een zaak mensenhandel betreffende een kapsalon.
Drie beklaagden met de Belgische nationaliteit maar van Palestijnse origine werden vervolgd wegens mensenhandel met het oog op de uitbuiting door arbeid van twee Marokkaanse onderdanen en wegens verscheidene tenlasteleggingen op het vlak van het sociaal strafrecht.
Het dossier werd opgestart toen een van de beklaagden om een politie-interventie in een kapsalon verzocht. Hij verklaarde het pand te mogen gebruiken en legde een huurovereenkomst voor. Een van de werkkrachten was eveneens aanwezig. Hij zei dat hij een arbeider was en dat zijn baas, de hoofdbeklaagde, over alle huurdocumenten beschikte. Hij beschreef zijn werkomstandigheden: zeven dagen op zeven, van 10 tot 20 uur voor 50 à 70 euro per week (nooit meer dan 350 euro per maand) en dat al meer dan twee jaar. Zijn baas had hem vanaf het begin een arbeidsovereenkomst beloofd maar kwam die belofte nooit na. Hij sliep ergens achterin de zaak. Behalve zijn baas zouden er ook twee vennoten van zijn uitbuiting hebben geprofiteerd. De politieagenten stelden vast dat er geen badkamer of douche was, en evenmin een ruimte om te koken. Dat laatste deed hij op een gaspit. De werkkracht was in onwettig verblijf. Zijn baas en zijn vennoten, de twee andere beklaagden, zouden volgens zijn verklaringen meerdere kapsalons hebben, waar ze andere personen in onwettig verblijf zouden uitbuiten. Hij verklaarde ook dat de drie beklaagden vennootschappen naar elkaar doorschoven, er een aantal van die personen zonder wettig verblijf in opnamen om hen te regulariseren, om die vervolgens failliet te laten verklaren.
Het onderzoek werd gevoerd op basis van verklaringen van de werkkrachten, zendmastbepalingen, een buurtonderzoek en diverse controles in de kapsalons, waar het andere slachtoffer werd aangetroffen.
De Franstalige correctionele rechtbank van Brussel weerhield in een vonnis van 21 december 2021 de tenlastelegging mensenhandel maar alleen in hoofde van de hoofdbeklaagde, met name op basis van de verklaringen van de werkkrachten, die in één geval werden bevestigd na het uitlezen van zijn telefoon en door het buurtonderzoek. De rechtbank oordeelde dat de beide mannen wel degelijk in een kapsalon hadden gewerkt, in een onzekere situatie en in totale afhankelijkheid van hun werkgever. Bovendien gebeurde die tewerkstelling in omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid (slechte materiële woonomstandigheden, illegaal verblijf waardoor ze kwetsbaar waren, geen sociale bescherming, een buitensporig aantal werkuren, beperkte bezoldiging, ruim onder het minimumuurloon, een sociaal of gezinsleven was onmogelijk). De rechtbank oordeelde dat de hoofdbeklaagde de beide slachtoffers had geronseld en gehuisvest met het oog op hun uitbuiting. De twee andere beklaagden daarentegen werden vrijgesproken bij gebrek aan bewijs dat ze bij de feiten betrokken waren en omdat ze ontkenden.
Voorts weerhield de rechtbank de tenlasteleggingen op het vlak van het sociaal strafrecht, maar ook alleen voor de hoofdbeklaagde, die als de werkgever werd beschouwd. De andere beklaagden werden voor deze tenlasteleggingen vrijgesproken.
De hoofdbeklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden met volledig uitstel, tot een geldboete van 24.000 euro en tot een beroepsverbod van vijf jaar. Hij werd er daarnaast toe veroordeeld om aan de werkkracht die zich burgerlijke partij had gesteld 74.169,75 euro materiële en 14.000 euro morele schadevergoeding te betalen.
De hoofdbeklaagde en het Openbaar Ministerie tekenden beroep aan. Het hof van beroep ging in op het verzoek van de beklaagde om het verhoor van een van de werkkrachten van het kapsalon en het verhoor van een van de twee slachtoffers van mensenhandel nietig te verklaren, omdat het recht op bijstand van een tolk niet was gerespecteerd. Het hof van beroep wees evenwel zijn verzoek af om zijn eigen verhoor nietig te verklaren omdat zijn recht op toegang tot een advocaat niet gerespecteerd was. Het hof bevestigde de beslissing en de schadevergoeding maar verlaagde de gevangenisstraf naar 24 maanden, wegens een lichte overschrijding van de redelijke termijn.
De hoofdbeklaagde heeft een cassatieberoep ingesteld tegen het burgerlijk deel van het arrest van het hof van beroep. Op 20 november 2024 annuleerde het Hof van Cassatie het bestreden arrest gedeeltelijk, met name wat de berekening van de materiële schade betreft die niet overeenstemde met de conclusies van de beklaagde waarin hij verzocht om de schade te berekenen op basis van een verkorte periode van het misdrijf. Het Hof verwierp het beroep voor het overige en verwees de zaak opnieuw naar het hof van beroep van Brussel.