De beklaagde, een Congolese vrouw, werd vervolgd voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting en voor verschillende tenlasteleggingen inzake sociaal strafrecht tegenover een Congolees meisje dat op het moment van de feiten minderjarig (twaalf jaar bij het begin van de feiten) was, dat bij haar inwoonde en dat ze zou hebben uitgebuit. Ze werd eveneens vervolgd voor feiten van geweld op het werk, illegale tewerkstelling van een kind en vrijwillige slagen en verwondingen

In een beslissing van 24 november 2017 in eerste aanleg had de correctionele rechtbank van Brussel haar vrijgesproken voor de tenlasteleggingen mensenhandel en geweld op het werk. De rechtbank hield alleen rekening met de tenlasteleggingen inzake sociaal strafrecht, illegale tewerkstelling van een kind en vrijwillige slagen en verwondingen.

Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij tekenden beroep aan. De beklaagde gaf verstek. Aangezien ze geen beroep had aangetekend en het openbaar ministerie zijn beroep beperkte tot de in eerste aanleg uitgesproken vrijspraken, verklaarde het hof van beroep van Brussel in een arrest van 2 december 2019 de tenlasteleggingen inzake sociaal strafrecht, illegale tewerkstelling van een kind en opzettelijke slagen en verwondingen definitief als bewezen.

In tegenstelling tot de rechtbank verklaarde het hof dat ook de tenlastelegging mensenhandel, met alle genoemde verzwarende omstandigheden, en de tenlastelegging geweld op het werk waren bewezen.

Wat de mensenhandel betrof, was het materiële en morele element van het misdrijf volgens het hof aangetoond. In tegenstelling tot de rechtbank oordeelde het hof dat er geen twijfel over bestond dat het minderjarige meisje tijdens haar langdurige verblijf bij de beklaagde gedwongen werd om zware huishoudelijke arbeid te verrichten en voor de kinderen te zorgen in omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid. In dat verband wees het hof op het volgende: ze was verplicht om steeds beschikbaar te zijn; de werktijden beletten haar om normaal onderwijs te volgen; ze moest herhaaldelijk geweld, beledigingen en bedreigingen ondergaan; ze was gehuisvest in onmenselijke omstandigheden en haar paspoort had ze moeten afgeven.

Het hof verhoogde de in eerste aanleg opgelegde straf tot twee jaar gevangenisstraf zonder uitstel. Ook het burgerrechtelijke vonnis werd herzien: het hof veroordeelde de beklaagde tot betaling aan het slachtoffer van 100.577,60 euro materiële schade (wat overeenkomt met de schade als gevolg van niet-betaling van het loon en van het verlies van twee schooljaren) en 5.000 euro morele schade.