Hof van beroep Antwerpen, 5 december 2024
Het hof van beroep boog zich over een dossier rond mensenhandel met meerdere slachtoffers uit Latijns-Amerika.
Twee beklaagden met de Nederlandse nationaliteit – die een koppel vormden – werden vervolgd voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting met verzwarende omstandigheden ten aanzien van vier slachtoffers, en ook voor pooierschap. Daarnaast werden de twee beklaagden en hun Belgische vennootschap vervolgd voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting ten aanzien van een tiental slachtoffers in de periode 2021-2022. De slachtoffers waren afkomstig uit Latijns-Amerika (voornamelijk uit Venezuela) en Oekraïne. Een slachtoffer van zowel economische als seksuele uitbuiting had zich burgerlijke partij gesteld.
Voor de feiten van seksuele uitbuiting haalden de beklaagden vrouwen uit Spanje en Venezuela naar Nederland en België om hen in de prostitutie te laten werken. Ze regelden appartementen en huisjes in vakantieparken. De vrouwen betaalden wekelijks huur en andere kosten aan de beklaagden en moesten een groot deel van hun inkomsten afgeven. De beklaagden haalden het geld dagelijks op en controleerden de vrouwen via camera’s.
Voor de feiten van economische uitbuiting in de schoonmaaksector hadden de beklaagden met hun Belgische vennootschap een constructie opgezet waarbij die vennootschap, de derde beklaagde, instond voor het personeel dat in onderaanneming werkte voor een ander poetsbedrijf. Ze stelden onder meer twee Oekraïense werknemers tewerk die in de tuin in een container woonden. Twee slachtoffers uit Venezuela verbleven op een zolderkamer bij de beklaagden. Ze werden niet (tijdig) betaald voor hun werk en hun identiteitsdocumenten werden afgenomen.
In eerste aanleg had de correctionele rechtbank van Hasselt de beklaagden in een vonnis van 1 december 2023 veroordeeld voor de feiten van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting maar vrijgesproken ten aanzien van enkele slachtoffers, onder wie het slachtoffer dat zich burgerlijke partij had gesteld. Ook voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting waren ze veroordeeld, onder meer voor de feiten ten aanzien van de burgerlijke partij, maar vrijgesproken ten aanzien van andere slachtoffers omwille van een gebrek aan objectieve elementen.
Zowel de beklaagden als het openbaar ministerie dienden beroep in tegen de beslissing. Het hof van beroep van Antwerpen hervormde en bevestigde deels de eerste beslissing in een arrest van 5 december 2024. Het hervormde de eerste beslissing door de beklaagden eveneens schuldig te achten aan mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting ten aanzien van de burgerlijke partij. Uit het strafdossier bleek dat de beklaagden wetens en willens een kwetsbare persoon hadden geworven en overgebracht van Spanje naar België. Het slachtoffer had financiële problemen, moest haar familie in Venezuela onderhouden en kampte met psychiatrische problemen. Ze hebben haar meermaals opgevangen, gehuisvest en tewerkgesteld en haar prostitutie georganiseerd. Zij moest een groot deel van haar inkomsten afgeven voor allerhande kosten en schulden, waarop het slachtoffer zelf weinig zicht had. Ten aanzien van de andere slachtoffers sprak het hof de beklaagden vrij wegens een gebrek aan elementen.
De beklaagden werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van dertig en veertig maanden, waarvan een deel met uitstel en tot een geldboete van 32.000 euro. De vennootschap kreeg een geldboete van 192.000 euro. Er werd een bijzondere verbeurdverklaring bij equivalent uitgesproken van 1.000 euro.
De burgerlijke partij kreeg een materiële schadevergoeding van 1.000 euro en een morele schadevergoeding van 1.500 euro.