Correctionele rechtbank van Hasselt, 1 december 2023
De rechtbank sprak zich uit over een zaak rond mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en economische uitbuiting met meerdere slachtoffers uit Latijns-Amerika.
Twee beklaagden met de Nederlandse nationaliteit die een koppel vormden werden vervolgd voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting met verzwarende omstandigheden ten aanzien van vier slachtoffers. Ze werden eveneens vervolgd voor pooierschap. Daarnaast werden de twee beklaagden en hun Belgische vennootschap vervolgd voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting ten aanzien van een tiental slachtoffers in de periode 2021 en 2022. De slachtoffers waren afkomstig uit Latijns-Amerika (voornamelijk uit Venezuela) en Oekraïne.
De feiten vonden zowel in Nederland als in België plaats. De feiten in Nederland werden vervolgd voor de Nederlandse Justitie. Het Nederlandse strafdossier stak als stuk in het Belgische dossier.
Een van de slachtoffers kwam uit Venezuela en stelde zich burgerlijke partij. Zij verklaarde dat ze in Spanje verbleef met een tijdelijk wettig verblijf, waar ze als nagelverzorgster werkte, en naar Nederland en België reisde om hier in de prostitutie geld te verdienen voor haar familie in Venezuela. Twee keer had ze gewerkt in een appartement van de beklaagden in Limburg en twee keer in een huisje in een vakantiedorp. Ze betaalde wekelijks huur aan de beklaagden en moest de advertenties op een seksdatingwebsite betalen.
Uit het Nederlandse strafdossier bleek dat een ander slachtoffer uit Venezuela, een vriendin van het vorige slachtoffer, via Spanje naar België reisde. De schulden die zij had gemaakt voor haar reis moest ze afbetalen, aanvankelijk door poetswerk en nadien door sekswerk. Haar paspoort moest ze afgeven aan de beklaagden. Zij moest klanten ontvangen in een huisje in een vakantiepark bij de grens met België, dat gehuurd werd door de beklaagden, en later ook in een hotel. De klanten werden gelokt via advertenties op seksdatingwebsites. Er werd door de beklaagden een camera geplaatst om het slachtoffer te controleren. Het slachtoffer ontving het geld van haar klanten. Elke avond kwamen de beklaagden dat geld ophalen en brachten ze eten mee voor het slachtoffer. Dat slachtoffer heeft van het verdiende geld niets mogen houden.
Wat de tenlastelegging mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting betreft, werden de beklaagden vrijgesproken ten aanzien van drie slachtoffers omdat er onvoldoende aangetoond was dat de beklaagden de controle hadden over de drie meisjes en hen gedwongen zouden hebben om hun inkomsten uit prostitutie af te staan. Ze werden wel veroordeeld voor de feiten ten aanzien van een slachtoffer.
Daarnaast werden de drie beklaagden vervolgd voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting. De eerste twee beklaagden hadden met hun Belgische vennootschap een constructie opgezet waarbij hun vennootschap, de derde beklaagde, instond voor het personeel dat in onderaanneming werkte voor een ander poetsbedrijf. De derde beklaagde stond in voor de tewerkstellingsvergunning van het personeel, alsook voor de Limosa- en Dimona-voorschriften en de betalingen van de RSZ-bijdragen.
Tijdens een huiszoeking bij de beklaagden werden er achter het huis containers aangetroffen. Daar verbleven twee Oekraïense werknemers die een koppel vormden. Zij verklaarden dat ze voor de beklaagden werkten maar dat ze nooit correct en steevast laattijdig werden uitbetaald.
De twee slachtoffers uit Venezuela, die op een zolderkamer bij de beklaagden woonden, verklaarden dat ze helemaal niet werden uitbetaald en dat zij door te werken de schulden van hun reis en hun verblijfskosten bij de beklaagden afbetaalden. Ook hun identiteitsdocumenten waren afgenomen. Het gaat om dezelfde slachtoffers als hierboven, die ook tot sekswerk werden gedwongen.
De werknemers waren volledig afhankelijk – ook voor hun huisvesting – van hun uitbuiters, die gebruikmaakten van hun precaire situaties. De rechtbank achtte de tenlastelegging van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting bewezen. De vennootschap werd eveneens schuldig bevonden.
Wat de andere zes slachtoffers betreft, vond de rechtbank onvoldoende objectieve elementen. Ten aanzien van deze personen werden de beklaagden vrijgesproken. De beklaagden werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en tot een geldboete van 40.000 euro.
De burgerlijke partij kreeg een morele en materiële schadevergoeding van 500 euro.
Tegen deze beslissing is beroep aangetekend.