De rechtbank sprak zich uit over feiten van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting in de bouwsector ten aanzien van een slachtoffer. De feiten deden zich eind 2019 voor. 

Twee beklaagden, een Belgische man en een man afkomstig uit Irak die onwettig in België verbleef, werden vervolgd voor mensenhandel. Ze werden eveneens vervolgd voor inbreuken op het sociaal strafrecht, zoals de niet-betaling van lonen, ten aanzien van in totaal zeven werknemers.

Vier slachtoffers stelden zich burgerlijke partij. Een slachtoffer kreeg het statuut mensenhandel.

De sociale inspectie had vastgesteld dat een bedrijf geen RSZ-bijdrages meer betaalde maar wel zeven werknemers had aangemeld in de Dimona-databank. De zaakvoerder en de werknemers werden bevraagd. De werkgever had financiële moeilijkheden. De werknemers verklaarden dat ze hun loon minstens onvolledig hadden ontvangen. Een van de werknemers, die in onwettig verblijf was, verklaarde dat hij maar drie dagen loon ontvangen had. De beloofde betaling bleef uit. Hij had 9.000 euro moeten betalen om via een tussenpersoon, de tweede beklaagde, bij de eerste beklaagde te worden tewerkgesteld. De tweede beklaagde bracht hem naar de werven en moest worden ingelicht over het loon en de loonfiches. Het slachtoffer moest werken in een risicovolle sector en zelf zijn beschermingskledij aankopen. Ook werd er geweld tegen hem gebruikt.

De rechtbank achtte de inbreuken op het sociaal strafrecht bewezen. Ook de feiten van mensenhandel waren bewezen. De beklaagden waren op de hoogte van de kwetsbare positie van het slachtoffer, hij werd gebruikt en als arbeider ingezet in omstandigheden die niet menswaardig waren.

De eerste beklaagde had geen blanco strafblad en was eerder veroordeeld voor inbreuken op het sociaal strafrecht. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en tot een geldboete van 8.000 euro, allebei voor een deel met uitstel.

De tweede beklaagde had evenmin een blanco strafblad. Hij was al meermaals veroordeeld voor mensensmokkel in het kader van een criminele organisatie. Bij verstek werd hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en tot een geldboete van 4.000 euro.

Het slachtoffer van mensenhandel kreeg een schadevergoeding van 18.411,62 euro voor de materiële schade en 1.000 euro voor de morele schade. Ook de andere burgerlijke partijen kregen schadevergoedingen.

De beslissing is definitief. Ten aanzien van een beklaagde werd de beslissing bij verstek uitgesproken.