In deze zaak inzake mensenhandel met het oog op economische uitbuiting in de bouwsector werden twee beklaagden vervolgd ten aanzien van zes slachtoffers.

De beklaagden, die de Belgische nationaliteit hadden maar van Turkse origine waren, werden vervolgd voor mensenhandel met de verzwarende omstandigheden dat er gebruik werd gemaakt van geweld en dat het leven van een persoon in gevaar werd gebracht. Daarnaast werden zij vervolgd voor inbreuken op het sociaal strafrecht.

Het dossier ging over ernstige economische uitbuiting waarbij de werknemers heel slecht werden behandeld, mishandeld en bedreigd, en nauwelijks werden betaald.

De rechtbank achtte de feiten inzake mensenhandel bewezen op basis van de elementen in het strafdossier, namelijk de vaststellingen van de politie, de verklaringen van de slachtoffers, de transacties op de bankrekening van de vennootschap en het onderzoek van de gsm van de beklaagde. Daarnaast was er het dossier in verband met de schietpartij waarvoor de beklaagden veroordeeld werden bij een arrest van 7 oktober 2022 door het hof van beroep van Luik voor poging tot moord en het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen.

De eerste beklaagde had al een uitgebreid strafblad met veroordelingen voor onder meer verboden wapenbezit. De beide beklaagden werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar.

Er werd een groot bedrag verbeurdverklaard.

Drie slachtoffers met de Bulgaarse nationaliteit en Myria stelden zich burgerlijke partij. De slachtoffers kregen schadevergoedingen van rond de 18.000 euro. Myria kreeg een schadevergoeding van 2.500 euro.

Het vonnis werd bij verstek uitgesproken.