Zeven Albanese beklaagden werden vervolgd voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting met verzwarende omstandigheden ten aanzien van zeven jonge Albanese vrouwen, voor valsheid in geschrifte en het gebruik van valse paspoorten en voor bendevorming. Eén beklaagde gaf verstek. De eerste zes werden ook vervolgd voor rekrutering voor en uitbuiting van de prostitutie van deze jonge vrouwen.

De jonge vrouwen, die zich in vitrines prostitueerden, waren allemaal afkomstig uit dezelfde Albanese stad of uit de omliggende dorpen. De hoofdbeklaagden behoorden tot dezelfde familie en kwamen uit dezelfde stad, waar een wijk naar de familie is vernoemd en waar ze heel invloedrijk zou zijn.

Het geld van de prostitutie werd in cash naar Albanië overgebracht, om geen sporen na te laten van overschrijvingen via agentschappen of banken.

De rechtbank veroordeelde de beklaagden voor alle tenlasteleggingen en achtte de mensenhandel bewezen: de beklaagden hadden hun slachtoffers gerekruteerd via de ‘loverboy’-techniek, deelgenomen aan het vervoer van de slachtoffers van Albanië naar België, hen bij hun aankomst op het grondgebied opgevangen en hun huisvesting verleend. De slachtoffers werden voortdurend onder controle gehouden en hun inkomsten dienden voor het levensonderhoud van de beklaagden en/of om hun (reële of vermeende) schulden af te lossen.

De rechtbank hield rekening met de verzwarende omstandigheden: misbruik van de kwetsbare situatie van de slachtoffers als gevolg van hun precaire financiële, sociale en familiale situatie, de activiteit maakte een gewoonte uit en deelname aan een vereniging. Het onderzoek kon naast de banden tussen de beklaagden ook de organisatie die was opgezet om de slachtoffers te vervoeren evenals hun samenwerking om toezicht op de slachtoffers te houden en hun onderdak te verschaffen aantonen.

Bovendien hadden de beklaagden een systeem opgezet voor het verkrijgen van valse documenten, waardoor de slachtoffers via een gemeenschappelijke vervalser in België konden verblijven.

De zes hoofdbeklaagden werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vijf jaar en tot een boete van 84.000 euro. De versteklatende beklaagde werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en tot een boete van 42.000 euro.

Tegenover twee beklaagden werd een verbeurdverklaring van geldbedragen — vermogensvoordelen die ze rechtstreeks uit de misdrijven hadden gehaald — uitgesproken.

Myria had zich burgerlijke partij gesteld en kreeg definitief de som van 2.500 euro toegewezen.

Er werd beroep aangetekend tegen deze beslissing.