In dit omvangrijke dossier werden er in totaal 27 beklaagden vervolgd. De drie mannelijke en 24 vrouwelijke beklaagden waren van Nigeriaanse, Ghanese, Togolese, Sierra Leoonse, Liberiaanse en Belgische origine, van wie meerdere personen de Belgische, de Nederlandse, de Franse, de Griekse of de Italiaanse nationaliteit hadden. Negen beklaagden – twee mannen en zeven vrouwen – werden vervolgd voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting met verzwarende omstandigheden. Naast mensenhandel werden de beklaagden eveneens vervolgd voor pooierschap, het bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, het vervaardigen en verspreiden van inhoud van extreem pornografische of gewelddadige aard, valsheid in geschrifte en mondelinge bedreigingen.   

De feiten speelden zich af binnen het Brusselse prostitutiemilieu in de wijk aan het Noordstation tussen 2017 en 2023. De FGP voert in deze wijk vaak controles uit om de nieuwe jonge vrouwen te identificeren en te voorkomen dat zij het slachtoffer zouden worden van mensenhandel en seksuele uitbuiting. In het kader van deze controles kon de politie, vooral sinds de COVID-19-crisis, de toename vaststellen van de aantallen Nigeriaanse vrouwen uit Italië en Frankrijk. De vrouwen, die vaak in het bezit waren van (tijdelijke) Italiaanse en Franse identiteitsdocumenten, werden tewerkgesteld in bars en in vitrines. Vaak reisden die vrouwen op en af tussen Italië en België en verbleven zij voor korte periodes in België om in de prostitutie te werken. Het viel de politie daarnaast op dat niet de contractuele uitbaatsters in de vitrines stonden maar de nieuwe meisjes, zonder of met valse huurcontracten.   

Uit het onderzoek bleek dat de mannelijke hoofdbeklaagden de nieuwe meisjes naar België lieten overkomen en hun een plaats in een vitrine toewezen. De vitrines werden uitgebaat door de contractuele uitbaatsters die de vitrines huurden van de pandeigenaren en onderverhuurden via het Yemeshe-systeem aan overdreven hoge huurprijzen. De contractuele uitbaatsters hadden de controle over de vitrines en zorgden voor de betaling van de huur aan de pandeigenaren. Aan de jonge vrouwen werd er gezegd dat ze de Belgische nationaliteit moesten hebben om de vitrines te huren. Alleen de oudere Ghanese en Nigeriaanse vrouwen die de Belgische nationaliteit hadden konden dus zogezegd de vitrines rechtstreeks huren van de eigenaren en hadden zo het monopolie op de verhuur van de vitrines.   

Via het Yemeshe-systeem moesten de meisjes minstens de helft van hun opbrengsten afgeven. Zij betaalden bijzonder hoge huurprijzen, vaak meer dan 1.000 euro per week (een weekenddag kostte meer dan een weekdag) aan de uitbaatsters, wat neerkwam op bedragen tussen 4.000 euro en 6.000 euro per maand. In de meeste vitrines werkten er twee vrouwen, één overdag en één ’s nachts zodat de uitbaatsters twee keer geld konden innen. De meisjes stonden onder druk om hoge huurbedragen te betalen. Op slechte dagen ging het grootste deel van hun inkomsten naar de uitbaatsters. Ze stonden eveneens onder druk om ‘dubieuze’ klanten te ontvangen, kwestie van die hoge bedragen te kunnen betalen. Als een meisje niet betaalde of indien de uitbaatsters niet tevreden waren, dan werden ze op straat gezet en vervangen door een ander meisje. Zij werd daarbij zwartgemaakt in de gemeenschap, zodat ze nergens meer kon werken.   

De vrouwelijke beklaagden, die onder meer gekend waren als “Mama Yemeshe” en “Mama Ghana”, waakten over hun vitrines en waren er geregeld aanwezig om de meisjes te controleren. Bedreigingen en geweld werden daarbij niet geschuwd. Zo had een van deze vrouwelijke beklaagden een meisje dat op een bepaald moment toch rechtstreeks bij een pandeigenaar huurde met voodoo bedreigd en zelfs gedreigd dat zij haar zoon in Nigeria zou laten vermoorden. Ze zou iemand sturen om de vitrine te vernielen en het meisje in elkaar te slaan. Om haar dreigementen kracht bij te zetten, stuurde ze video’s van extreme mishandelingen van vrouwen.   

De mannelijke beklaagden ontvingen geld voor de organisatie van de vitrines, zowel van de uitbaatsters als van de jonge vrouwen. De eerste beklaagde was de persoon die de bezetting van de vitrines en bars regelde en controleerde. Hij wees de meisjes een plaats toe en wist welke vitrines er vrij waren. Hij fungeerde eigenlijk als een tussenpersoon tussen de contractuele uitbaatsters en de meisjes. Zijn naam circuleerde in het milieu. Meisjes uit Italië contacteerden hem om te weten hoe zij in België konden werken en om een verblijf- en werkplaats te regelen. Ook had hij meisjes vanuit Nigeria laten overkomen naar Brussel, om ze aan het werk te zetten in bars. Meerdere meisjes verklaarden tijdens het onderzoek dat ze ook seks moesten hebben met hem in ruil voor een plaats in een vitrine en omdat hij hen moest “uittesten”. Daarnaast vroeg hij geld zodat ze hun plaats in een vitrine konden behouden.   

Ook de tweede beklaagde organiseerde tegen betaling de tewerkstelling van de vrouwen in het prostitutiekwartier. Daarnaast konden de vrouwen voor allerlei zaken bij hem terecht en verkocht hij werkkleding.   

De rechtbank beoordeelde de feiten als mensenhandel en oordeelde dat de slachtoffers zich duidelijk in een sociaal kwetsbare positie bevonden. De veelal jonge Nigeriaanse vrouwen – die in onwettig verblijf waren of in een precaire verblijfssituatie in Italië en Frankrijk zaten – werden naar België gehaald. Ze werkten in de prostitutie om hun familie in het thuisland te onderhouden. Bij gebrek aan verblijfspapieren hadden deze vrouwen vaak geen andere keuze dan in de prostitutie te werken. Zodra zij in België waren, werden zij in erbarmelijke omstandigheden gehuisvest en tewerkgesteld. Ze werkten in een bijzonder vuile omgeving, gedurende lange dagen zonder vrijaf te krijgen. Zij mochten geen klanten weigeren en werden vaak blootgesteld aan verbaal en fysiek geweld door de klanten. De tewerkstelling was volgens de rechtbank dan ook mensonterend.   

Volgens de rechtbank onderscheidt mensenhandel zich van pooierschap omdat het fenomeen wordt gekenmerkt door de uitbuiting van de slachtoffers in mensonterende omstandigheden en door het uitoefenen van een bijzondere vorm van controle over de slachtoffers. De jonge vrouwen moesten verslag uitbrengen over het aantal klanten en hun verdiensten. Verdienden zij niet genoeg, dan werden ze vervangen door andere meisjes. Vaak verbleef er een oudere vrouw in de vitrines om de jongere vrouwen te controleren. De vrouwen werden geregeld bedreigd met voodoo en represailles in het thuisland. De rechtbank meende dat de vrouwen dus aan een verregaande controle werden onderworpen.   

De rechtbank onderzocht ook de feiten in het licht van de wet van 21 maart 2022 houdende de wijziging van het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht.  

De rechtbank beoordeelde of er sprake was van pooierschap, namelijk hetzij het organiseren van prostitutie met het oog op het bekomen van een economisch voordeel hetzij het bevorderen, aanzetten, aanmoedigen of faciliteren van prostitutie met als doel het rechtstreeks of onrechtstreeks bekomen van een abnormaal economisch voordeel. Uit het onderzoek bleek dat de mannelijke beklaagden de tewerkstelling van jonge vrouwen in vitrines organiseerden en daarvoor zowel van de vrouwen als van de uitbaatsters een vergoeding kregen. Sommige beklaagden ontvingen eveneens seksuele prestaties in ruil voor een plaats in de vitrines. De vrouwen moesten minstens de helft van hun verdiensten afstaan aan de contractuele uitbaatsters (tussen 4.000 euro en 6.000 euro per maand), een bedrag dat de werkelijke huurprijzen ruim oversteeg. Volgens de rechtbank stond het vast dat daarmee een vorm van prostitutie werd georganiseerd met als doel het verwerven van een (abnormaal) economisch voordeel ten koste van jonge vrouwen in een kwetsbare positie.   

Enkele beklaagden werden vrijgesproken voor pooierschap en organisatie van prostitutie. In een geval ging het om een Belgische contractuele uitbaatster die rechtstreeks werkte met Nigeriaanse meisjes. Uit het dossier bleek dat de meisjes aan haar veel lagere bedragen moesten afgeven dan aan de andere uitbaatsters.  

De rechtbank hield bij de straftoemeting rekening met het feit dat veel contractuele uitbaatsters zelf als gewezen sekswerkers gedurende lange tijd in een systeem van uitbuiting waren tewerkgesteld en dat zij dus ook al die tijd in een maatschappelijk kwetsbare, onzekere en zelfs gevaarlijke situatie hadden gewerkt, wat gedurende een langere periode werd gedoogd. Volgens de rechtbank mag zoiets uiteraard geen aanleiding geven tot misbruik van een jongere generatie maar mogelijk heeft dat geleid tot een ernstige normvervaging bij de beklaagden.   

Voor de twee mannelijke hoofdbeklaagden werden de feiten van mensenhandel bewezen geacht, net als de andere feiten. Zij werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vijf jaar en zes jaar en tot geldboetes van 8.000 euro en 24.000 euro. Ook voor de zeven contractuele uitbaatsters stonden de feiten van mensenhandel vast. Zij werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vijf jaar (met uitstel over drie jaar voor het deel dat de voorlopige hechtenis te boven ging) en geldboetes tussen 24.000 euro en 64.000 euro. Ze werden allen voor tien jaar ontzet uit hun rechten.    

Er werden grote geldsommen verbeurdverklaard.   

Vier slachtoffers, vrouwen met de Nigeriaanse nationaliteit, en Myria stelden zich burgerlijke partij. De slachtoffers kregen morele schadevergoedingen tussen 750 euro en 3.000 euro en materiële schadevergoedingen tussen 1.950 euro en 16.500 euro. Myria kreeg een schadevergoeding van een symbolische euro.   

Drie beklaagden werden bij verstek veroordeeld.   

Er werd beroep aangetekend tegen de beslissing.