Correctionele rechtbank van Brugge, 28 juni 2024
De rechtbank sprak zich uit over een dossier inzake mensenhandel met het oog op economische uitbuiting in de sloop- en afvalsorteringssector in West-Vlaanderen. Vijf beklaagden, vier personen met de Roemeense nationaliteit en een Belgische vennootschap, werden vervolgd. De tweede beklaagde, de vennootschap, liet verstek gaan. Intussen is die sinds oktober 2023 gerechtelijk ontbonden. Het Openbaar Ministerie had ook nog de vennootschap van de vierde beklaagde gedaagd als burgerlijk aansprakelijke voor zijn lasthebber. De vierde beklaagde was de zaakvoerder van deze vennootschap. Alle beklaagden – met uitzondering van de vijfde (de boekhoudster) – werden vervolgd voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting met verzwarende omstandigheden. Ze werden daarnaast vervolgd voor meerdere inbreuken tegen het sociaal strafrecht, onder meer voor het niet of laattijdig uitbetalen van lonen ten aanzien van 80 personen. De feiten inzake mensenhandel hadden betrekking op 26 werkkrachten met de Roemeense nationaliteit.
De feiten deden zich voor tussen 2020 en 2022 en kwamen aan het licht nadat een Roemeense werknemer een verkeersongeval had gehad met de wagen van zijn werkgever. Er werd aanvankelijk een pv opgesteld voor zwartwerk waarna de arbeidsauditeur de inspecties van de RSZ en Toezicht op de Sociale Wetten de opdracht gaf om verder onderzoek te doen naar mogelijk onwettige praktijken van de eerste beklaagde. Er vonden meerdere controles plaats door de sociale inspectie op werven waar Roemeense werknemers van de beklaagden werden aangetroffen en verhoord.
De beklaagden werkten in onderaanneming voor grotere bedrijven om sloopwerken te verrichten en afval te sorteren. Uit het onderzoek bleek dat de beklaagden tientallen Roemeense mannen tewerkstelden via de tweede beklaagde (de vennootschap). De rechtbank meende dat de strafvordering ten aanzien van de vennootschap, ondanks de ontbinding, niet vervallen was omdat de tweede beklaagde al voor de ontbinding door de raadkamer was doorverwezen en was gedagvaard voor de correctionele rechtbank. De vierde beklaagde was de zaakvoerder van een vennootschap, de burgerlijk aansprakelijke partij. Uit het onderzoek bleek voorts dat hij gebruik had gemaakt van een stroman, een man met een verstandelijke handicap. Hij had de vennootschap op naam van deze werknemer laten zetten die niet begreep wat de impact daarvan was, om zelf zoveel mogelijk onder de radar te blijven. De eerste beklaagde, de derde beklaagde en de vierde beklaagde waren verre familie van elkaar. Ze hadden in het begin wel samengewerkt maar waren door een familieruzie niet meer met elkaar in contact.
De vijfde beklaagde was de boekhoudster. Zij adviseerde de andere beklaagden rond het systeem en informeerde hen over het werken met (schijn)zelfstandigen. Ze gaf hun daarnaast advies over het bekomen van overbruggingskredieten tijdens de coronacrisis, en vroeg daarvoor een deel van de opbrengst.
De beklaagden lieten tientallen Roemeense mannen werken in hun vennootschappen, als schijnzelfstandigen of als vennoten en soms zelfs helemaal zonder statuut. De mannen waren vaak afkomstig uit dezelfde regio als de beklaagden en ze kwamen naar België in de hoop op een betere toekomst. Ze werden 10 euro per uur betaald of 500 euro per week cash. Daarvan moesten ze 150 à 170 euro huur betalen die van hun loon werd afgehouden. Ze werkten in vijf of zes dagen tussen de 48 en de 50 uur per week. De rijtijd naar de werven werd niet vergoed. Ze woonden allemaal samen in huizen en dat in erbarmelijke omstandigheden: soms meerdere mensen per kamer, op matrassen op de grond, of zelfs in de garage. De huizen waren bijzonder slecht onderhouden en nauwelijks verwarmd. Ze werden niet betaald in geval van ziekte. Soms werden de werkkrachten helemaal niet uitbetaald.
De werkkrachten moesten vaak met asbesthoudende materialen werken zonder veiligheidsmaatregelen. Soms werden daarvoor valse opleidingscertificaten voorgelegd aan de hoofdaannemers of opdrachtgevers.
Er werd een onderzoeksrechter gevorderd waarna er observaties, meerdere huiszoekingen, een financieel onderzoek en arrestaties volgden.
De rechtbank meende dat de eerste beklaagde, de tweede beklaagde en derde beklaagde zich schuldig hadden gemaakt aan feiten van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting met verzwarende omstandigheden (met gezag en gewoonte). Ook de vierde beklaagde werd schuldig bevonden aan mensenhandel, maar ten aanzien van andere personen. Volgens de rechtbank boden ze slachtoffers wel huisvesting en wierven ze hen met de bedoeling om hen arbeid te laten verrichten in omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid, hetzij als zelfstandig helper, hetzij als vennoot, hetzij zonder enig statuut. Ze lieten deze personen zwaar, vuil, en gevaarlijk werk verrichten in een schijnstatuut en dus met totale miskenning van hun rechten als werknemer. Ze kregen maar 10 euro per uur, zonder dat er sociale bijdragen of belastingen werden betaald. De personen werden onwetend gehouden of misleid. Er werd misbruik gemaakt van het feit dat ze de taal niet spraken en ze administratief volledige afhankelijk waren van de beklaagden. De feiten werden gepleegd over een langere periode met betrekking tot meerdere personen, wat wijst op een gewoonte.
De beklaagden werden voorts schuldig bevonden aan sociaalrechtelijke misdrijven. De rechtbank meende dat zij hun ondernemingen op sociaaljuridisch vlak met een totale miskenning van de sociale wetgeving ten aanzien van hun werknemers leidden en beheerden. Zij deinsden er niet voor terug om schijnconstructies op te zetten om hun werkgeverschap te verhullen, het sociaal stelsel te ondermijnen door met schijnzelfstandigen te werken en daarbovenop nog eens coronasteun op te strijken.
De tweede beklaagde en de derde beklaagde waren in 2023 al veroordeeld voor feiten van mensenhandel in de periode tussen 2015 en 2017 door het hof van beroep in Gent. De eerste beklaagde was bovendien in Roemenië veroordeeld tot een gevangenisstraf voor opzettelijke doodslag. Ook de vierde beklaagde had geen blanco strafblad en was eerder in Duitsland veroordeeld voor ernstige feiten.
De beklaagden werden veroordeeld tot een werkstraf van 180 uur of tot gevangenisstraffen tussen vijftien maanden en twee jaar en tot geldboetes tussen 80.000 euro en 128.000 euro (sommige voor een deel met uitstel). De tweede beklaagde, de vennootschap, kreeg een geldboete van 384.000 euro. Er werden bijzondere verbeurdverklaringen bij equivalent uitgesproken.
De rechtbank ging niet in op het verzoek van het Openbaar Ministerie tot sluiting van de burgerlijk aansprakelijke partij, de onderneming van de vierde beklaagde. De rechtbank meende evenwel dat bij het misdrijf mensenhandel de werkgever niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van geldboetes en kosten waartoe de dader, de lasthebber, wordt veroordeeld.
De vijfde beklaagde, de boekhoudster, die niet voor mensenhandel werd vervolgd, werd vrijgesproken voor de andere tenlasteleggingen.
Myria stelde zich burgerlijke partij in deze zaak, naast de FOD Sociale Zekerheid en Securex, het sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. De rechter veroordeelde de eerste beklaagde, de derde beklaagde en de vierde beklaagde hoofdelijk tot het betalen van een schadevergoeding van 2.500 euro aan Myria. De vordering tot schadevergoeding ten aanzien van de tweede beklaagde en de burgerlijk aansprakelijke partij werd niet ontvankelijk verklaard.
Tegen dit vonnis werd beroep aangetekend.