Hof van beroep van Gent, 16 september 2022
Het hof boog zich over een zaak van mensenhandel met het oog op de uitbuiting van de bedelarij ten aanzien van een slachtoffer, uitbuiting van de bedelarij en oplichting ten aanzien van meerdere andere slachtoffers. De beklaagde was een man met de Poolse nationaliteit.
In eerste aanleg was hij door de correctionele rechtbank van Brugge in een vonnis van 6 november 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar effectief en tot een geldboete van 8.000 euro.
In de periode 2016-2017 werden er door de politiediensten in West-Vlaanderen meermaals personen aangetroffen die van deur tot deur en op straat houten beeldjes of tekeningen verkochten. Tijdens interventies stelden de politiediensten telkens vast dat deze personen werden opgepikt door een bestelwagen met een Poolse nummerplaat.
Bij controles van de bestelwagen werden iedere keer meerdere personen aangetroffen, waarbij de beklaagde de chauffeur was. Volgens de beklaagde waren de andere inzittenden doofstom en konden zij dus geen verklaringen afleggen. Er werden in de bestelwagen eveneens persoonlijke spullen en cash geld aangetroffen.
Een persoon legde wel verklaringen af. Zij vertelde dat ze door de beklaagde in Polen was benaderd om voor hem te komen werken. Ze vertrouwde hem en had geld nodig om haar studies te betalen.
Zodra zij in België aangekomen was, moest zij voor de beklaagde houten figuurtjes verkopen. De beklaagde bracht haar naar verschillende steden en haalde haar op het afgesproken tijdstip opnieuw op. Zij moest een bordje tonen waarop in het Nederlands stond geschreven dat ze behoeftig was. Samen met nog andere mannen en vrouwen logeerde zij in een huisje dat de beklaagde huurde. Ook de andere mannen en vrouwen moesten in opdracht van de beklaagde houten handwerkjes verkopen. Ze moesten die figuurtjes verkopen voor 15 euro per stuk, waarvan ze 9 euro moesten afgeven aan de beklaagde. Ze dienden overigens geld te betalen voor de huur en de brandstof, waardoor er nog weinig overbleef.
Het hof achtte de feiten inzake mensenhandel bewezen met de verzwarende omstandigheid dat de beklaagde misbruik had gemaakt van de kwetsbare situatie van het slachtoffer en bevestigde het vonnis ook in de straftoemeting. Daarnaast legde het een beroepsverbod op.