Hof van beroep van Antwerpen, 26 oktober 2023
In deze zaak boog het hof zich over feiten van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting met een Belgisch slachtoffer.
Drie beklaagden met de Belgische en de Nederlandse nationaliteit en een vennootschap werden vervolgd. De tweede beklaagde was de eigenaar van de vennootschap, een café. De eerste beklaagde baatte het café uit voor de tweede beklaagde. De correctionele rechtbank van Antwerpen had de beklaagden in het vonnis van 12 december 2022 veroordeeld voor mensenhandel en bestraft met gevangenisstraffen en geldboetes. De vennootschap was intussen failliet.
Het hof van beroep oordeelde dat de feiten inzake mensenhandel bewezen bleven en stelde dat de werving van een persoon met als doel het verrichten van werk in omstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid het misdrijf mensenhandel inhield. De term werving betekent niet dat de aangeworven persoon daarvoor moet zijn aangezocht. De onthaal- en huisvestingsvoorwaarden in strijd met de menselijke waardigheid moeten mee in aanmerking worden genomen om het misdrijf mensenhandel te beoordelen. De woonomstandigheden in een (bier)kelder met een verlaagd plafond waren bijzonder schrijnend. Het slachtoffer werd gedwongen om elke dag van de week werkzaamheden te verrichten zonder correct loon. Het feit dat het om een eigen keuze ging van het slachtoffer is irrelevant.
De eerste beklaagde had al een strafblad en een beroepsverbod. De beklaagden werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk 24 maanden effectief en 20 maanden, voor een deel met uitstel en tot een geldboete van 8.000 euro. Allebei kregen ze een beroepsverbod opgelegd van tien jaar.
De beklaagden gingen in cassatie maar hun beroep werd onontvankelijk verklaard.