In deze zaak heeft de rechtbank een Ivoriaanse beklaagde veroordeeld voor mensenhandel ten aanzien van een Ivoriaanse jongeman, die zich burgerlijke partij heeft gesteld, en voor misbruik van vertrouwen, uitoefening van het beroep van spelersmakelaar voor voetballers zonder erkenning en het witwassen van geld. Een tweede Belgische persoon is eveneens betrokken voor die laatste tenlastelegging. Ook een Belgische stichting van openbaar nut met als statutair hoofddoel de bestrijding van mensenhandel heeft zich burgerlijke partij gesteld. De feiten werden gepleegd in Brussel en in Zweden, tussen 2016 en 2019. 

In 2013 is het slachtoffer naar België gekomen met een visum kort verblijf via een Belgische spelersmakelaar met een voetbalacademie in Ivoorkust voor een test bij een Brusselse club. Omdat de test niet goed was en zijn visum afliep, moest hij terugkeren naar Ivoorkust. In 2014 heeft de afgevaardigd bestuurder van de stichting die mensenhandel bestrijdt, die zich burgerlijke partij heeft gesteld, de jongeman ontmoet in Ivoorkust en beslist om hem in het kader van een studentenstatuut naar België terug te laten keren. Dankzij de hulp van de afgevaardigd bestuurder en haar contacten, met name de Belgische spelersmakelaar, kon hij achtereenvolgens trainen bij twee andere Brusselse clubs en een club in Charleroi. Omdat die clubs hem niet langer konden houden, stelde de makelaar een club in Zweden voor, via een Ivoriaanse gelegenheidspartner, ook een beklaagde, die er regelmatig werkt en er familie heeft.  

De afgevaardigd bestuurder en deze Ivoriaanse “makelaar” sloten een “verbintenisverklaring” af, waarmee die laatste zich ertoe verbond een professioneel voetbalcontract bij de Zweedse club te regelen, als tegenprestatie voor de storting van 30.000 euro door de stichting, met de verduidelijking dat die som gelijkstond aan twaalf maanden loon en verblijf van de burgerlijke partij (2.500 euro per maand). De jongeman kwam in september 2016 aan in Zweden en kreeg een Zweedse verblijfsvergunning na de ondertekening van een profcontract bij de Zweedse club. De jongeman kreeg evenwel een kamer in een gedeelde woning voor een huurbedrag van 500 euro en kreeg de eerste weken maar een deel van zijn loon en vervolgens niets meer, noch van de beklaagde, noch van de club. Het geld werd grotendeels verdeeld onder de familieleden van de beklaagde. Hij moest de gedeelde woning inruilen voor een hotel en zelf in zijn behoeften voorzien. Het slachtoffer keerde in maart 2017 uiteindelijk terug naar België, dankzij het beetje spaargeld van zijn vriendin. Na een ingebrekestelling van de stichting om de 30.000 euro terug te betalen en de ondertekening van een schuldbekentenis door de beklaagde, betaalde die laatste het bedrag in twee keer terug. Eerst via de Belgische makelaar die de beklaagde zelf geld schuldig was. Vervolgens via de tweede beklaagde, een jonge Belgische straathoekwerker met een passie voor het milieu van het profvoetbal die regelmatig diensten verleent aan sommige voetballers om hun respect en gratis tickets te bekomen. Omdat hij de eerste beklaagde als een vaderfiguur beschouwde, stemde de jongeman ermee in om de overschrijving te doen via de krantenwinkel in zijn wijk in Brussel, zodat de financiële transactie niet traceerbaar was. 

Op basis van de verhoren van het slachtoffer en de chatberichten tussen de afgevaardigd bestuurder en het slachtoffer heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende voorwaarden die in strijd waren met de menselijke waardigheid: afwezigheid van loon, moeilijke toegang tot voeding, ontbering, afwezigheid van uitrusting en kleding die aan de weersomstandigheden waren aangepast, nood om te bedelen bij medevoetballers en de vervoersvoorwaarden. De rechtbank weerhield de verzwarende omstandigheid van misbruik van kwetsbaarheid en wees daarbij op de afwezigheid van een bankrekening, de geïsoleerde huisvesting, de verplaatsingsproblemen, de precaire verblijfssituatie, het feit dat hij de taal niet beheerste en het sociale isolement. De eerste beklaagde heeft het slachtoffer in zijn hoedanigheid van tussenpersoon vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgevangen, en vervolgens de controle over die laatste aan de Zweedse club overgedragen, met een uitbuitingsfinaliteit die hij niet betwist. De rechtbank wees erop dat de trainingen van het slachtoffer, los van zijn deelname aan wedstrijden, arbeid vormden die wordt verwacht van een jongeman die een carrière als profvoetballer ambieert. 

Volgens de rechtbank “tonen de feiten een exclusieve focus op winstbejag, zonder respect voor een ethische werking van de markt van sporttransfers, waarvan de ‘grondstof’ nochtans hoofdzakelijk bestaat uit vaak kwetsbare jongeren”. De eerste beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar met uitstel en tot een geldboete van 8.000 euro, maar ook tot de betaling aan de burgerlijke partij van een materiële schadevergoeding van 12.226 euro, en een morele schadevergoeding van 1.500 euro. De tweede beklaagde, die vervolgd werd voor het witwassen van geld, genoot een opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende twee jaar.