Correctionele rechtbank van Gent, 7 december 2022
De rechtbank sprak zich uit over een groot dossier rond mensenhandel in dag- en nachtwinkels. Vijf beklaagden werden vervolgd, waaronder twee vennootschappen. Alleen de eerste beklaagde, de derde beklaagde en hun vennootschap, de tweede beklaagde, werden vervolgd voor mensenhandel. De beklaagden werden eveneens voor andere inbreuken vervolgd, waaronder inbreuken op het sociaal strafrecht (geen of geen correcte Dimona-aangifte, illegale tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten), oplichting in het sociaal strafrecht (schijnzelfstandigheid om geen sociale bijdragen te moeten betalen) en subsidiefraude (in het kader van de coronamaatregelen). Twee slachtoffers en het Vlaamse Gewest stelden zich burgerlijke partij.
De twee vennootschappen baatten meerdere (nacht)winkels uit. Een vennootschap, de tweede beklaagde, had verschillende filialen in Gent en in Waregem. De eerste beklaagde en de derde beklaagde waren familie van elkaar en zij fungeerden afwisselend als zaakvoerder en aandeelhouder van de vennootschap. De vierde beklaagde was de boekhouder.
Meerdere controles vonden plaats bij nacht- en dagwinkels. Een van de controles gebeurde naar aanleiding van een opsporingsonderzoek van diefstal. De personen die aan het werk waren bleken telkens niet gemeld bij Dimona en werkten er als zelfstandig medevennoot met vijf of tien procent van de aandelen in de vennootschap. Meerdere personen werden verhoord en legden gelijklopende verklaringen af dat zij tewerkgesteld zouden zijn als zelfstandigen in de winkels waarvoor ze van de eerste beklaagde documenten moesten ondertekenen. Vaak waren zij niet op de hoogte van de Belgische wetgeving en kenden ze het verschil niet tussen een werknemer en een zelfstandige. Er werd hun een mooi maandinkomen beloofd maar uiteindelijk moesten zij lange dagen werken, soms zeven dagen op zeven, zonder vakantie. Ze kregen maar een bedrag van 50 euro per dag. Soms moesten ze een deel teruggeven, zogezegd om de belastingen of bijdragen te betalen.
Voor de personen die tijdens de coronaperiode als zelfstandigen werkten werd er door de beklaagden een coronapremie aangevraagd maar zij kregen die niet zelf. Uit onderzoek bleek dat meerdere winkels openbleven tijdens de coronapandemie en de coronapremies dus ten onrechte waren aangevraagd.
Er gebeurde een huiszoeking bij de eerste beklaagde. Hij woonde in een luxueuze villa in de rand van Gent. Er werden bij hem grote sommen cash aangetroffen alsook luxewagens.
De onderzoekers stelden tijdens de verhoren vast dat meerdere personen bang leken van de beklaagden omdat zij tot een belangrijke familie uit Pakistan behoorden. Tijdens het onderzoek werd een van de slachtoffer bedreigd door de derde beklaagde.
Wat de tenlastelegging van oplichting in het sociaal strafrecht (schijnzelfstandigheid) betreft, werden de beklaagden vervolgd in de veronderstelling dat ze personen ten onrechte als vennoot benoemden binnen hun vennootschap, terwijl zij in werkelijkheid als werknemers werden tewerkgesteld. Dat met de bedoeling geen sociale bijdragen voor hen te moeten betalen. Uit de verklaringen van de verschillende personen leidde de rechtbank af dat de constructie met zelfstandige vennoten geveinsd was. Er werden vaste werktijden opgelegd, de personen konden hun vakantie niet kiezen, ze deden louter uitvoerend werk en hadden geen organisatorische vrijheid. De personen werden gecontroleerd door de beklaagden, onder meer via camera’s. De rechtbank concludeerde dat de personen wel degelijk werkten onder gezag. De arbeidsverhoudingen werden dus geherkwalificeerd naar die van arbeid onder gezag. De constructie werd gebruikt om te vermijden dat voor deze personen hogere socialezekerheidsbijdragen moesten worden betaald.
Wat de tenlastelegging mensenhandel betreft, stelde de rechtbank dat de bereidheid van de slachtoffers om in dergelijke omstandigheden te werken niet van belang was. Ook de behandeling of het inkomen van de slachtoffers in hun land van herkomst kon geen criterium zijn.
De rechtbank stelde dat er voor de uitbating van de winkels een beroep werd gedaan op personen met de Pakistaanse of Afghaanse nationaliteit met een precaire verblijfsstatus, die de taal niet machtig waren en de regelgeving niet kenden, maar die hier een leven wilden uitbouwen. Door die precaire verblijfsstatus hadden zij in hun zoektocht naar een woonst en werk dan ook maar toegang tot een beperkter segment, waardoor zij kwetsbaar waren om als slachtoffers van mensenhandel te worden uitgebuit. In het businessmodel van de vennootschap werd er van deze situatie misbruik gemaakt door bij deze werknemers een zekere afhankelijkheid te creëren waardoor zij vaak in een vicieuze cirkel terechtkwamen. Zij wilden immers werken, maar gelet op hun statuut en de taalbarrière waren daartoe weinig mogelijkheden. Bijgevolg gingen ze werken voor land- of regiogenoten die ze op het eerste gezicht – gelet op de herkenbare cultuur en het feit dat zij met hen konden communiceren in een voor hen begrijpelijke taal – konden vertrouwen en die hun werk en soms zelfs een woning gaven.
Uit het strafdossier bleek bovendien dat de vennootschap in eerste instantie de sociale bijdragen voor haar rekening nam. Wanneer de werknemers evenwel aangaven de samenwerking te willen beëindigen, bleek dat niet mogelijk te zijn omdat zij dan deze sociale bijdragen moesten terugbetalen, wat zij uiteraard maar konden door voort te werken.
De beklaagden maakten bewust misbruik van de kwetsbare positie van hun werknemers om een financieel voordeel te verkrijgen.
De rechtbank maakte de feitelijke beoordeling per werknemer en berekende dat zij maar tussen de 3,5 en 6 euro per uur verdienden. De rechtbank oordeelde derhalve dat het vaststond dat er bij het businessmodel waarop de werking van de vennootschap steunde sprake was van economische uitbuiting. Dat bleek niet alleen uit de constructie van schijnzelfstandigheid waarmee er werd gewerkt om geen socialezekerheidsbijdragen te moeten betalen, maar ook uit de vaststelling dat de zogenaamde “werkende vennoten” gedurende vele uren na elkaar moesten werken in ruil voor een schamele vergoeding.
Ten aanzien van een slachtoffer werd ook de verzwarende omstandigheid bewezen geacht dat er misbruik werd gemaakt van zijn kwetsbare positie. Hij had immers nood aan een woonst en kon die alleen krijgen als hij zou werken in de winkel. Zodoende had hij in feite geen echte en aanvaardbare andere keuze dan het misbruik aanvaarden.
Ten aanzien van een slachtoffer werden de beklaagden vrijgesproken omwille van een gebrek aan bewijzen.
De beklaagden werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk een jaar en achttien maanden, waarvan een deel met uitstel, en tot geldboetes van 12.000 euro en 40.000 euro. Er werden grote sommen verbeurdverklaard. De vennootschap werd veroordeeld tot een geldboete van 384.000 euro. De slachtoffers kregen een schadevergoeding van 21.289,60 euro (waarvan 2.500 euro morele schadevergoeding) en 30.085,60 euro (waarvan 3.000 euro morele schadevergoeding).
Tegen de beslissing werd beroep aangetekend.