Correctionele rechtbank van Brussel, 25 juni 2024
In deze zaak heeft de rechtbank een echtpaar met de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit, samen met hun vennootschap veroordeeld voor diverse inbreuken op het sociaal strafrecht ten aanzien van meerdere werknemers. De echtgenoot werd eveneens veroordeeld voor verzwaarde mensenhandel met het oog op economische uitbuiting van twee Marokkaanse mannen. Die laatsten en de RSZ stelden zich burgerlijke partij.
Het echtpaar baatte meerdere bakkerijen en broodwinkels uit via verscheidene vennootschappen, waarvan er sommige failliet gingen. De echtgenoot was er de zaakvoerder van en hield zich bezig met het personeel. Zijn broers en zijn neef waren actieve vennoten van sommige vennootschappen. Zijn echtgenote nam deel aan het administratieve beheer van bepaalde vennootschappen en werkte daarnaast als banketbakster.
Het dossier werd in 2017 geopend na een controle waarbij een werknemer op de vlucht sloeg. Hij werd door de werkgever geïdentificeerd en door de sociale inspectie verhoord. De man verklaarde dat hij in onwettig verblijf was, geen arbeidsovereenkomst had en in de bakkerij verbleef. Hij stelde zich burgerlijke partij. De RVA, de gewestelijke arbeidsinspectie, de RSZ en de politie voerden vervolgens verscheidene controles uit in de bakkerijen en winkels van de beklaagde. Ze stelden een groot aantal inbreuken tegen het sociaal strafrecht vast in het kader van de tewerkstelling van andere werknemers.
De tweede burgerlijke partij meldde zichzelf in 2020 bij een gespecialiseerd opvangcentrum voor slachtoffers van mensenhandel om klacht neer te leggen tegen de beklaagde. Hij verklaarde dat hij vele en wisselende uren had gewerkt, niet al zijn loon had ontvangen en ter plekke gehuisvest was. De twee burgerlijke partijen kregen het statuut van slachtoffer van mensenhandel.
De rechtbank veroordeelde de echtgenoot voor verzwaarde mensenhandel ten nadele van de twee burgerlijke partijen: hij had ze geronseld, gehuisvest en gecontroleerd om ze te doen werken. De beklaagde wist dat de burgerlijke partijen zich in een kwetsbare situatie bevonden wegens hun illegale administratieve situatie toen hij hun werk gaf. De rechter wees op arbeidsvoorwaarden in strijd met de menselijke waardigheid: de vele opeenvolgende dagen of weken zonder verlofdagen, tot aan de eventuele komst van een vervanger; het lage dagloon, dat niet in verhouding stond tot de lange arbeidsprestaties (het eerste slachtoffer verklaarde van 6 uur tot 18 uur te werken en van 19 uur 30 tot 10 uur, voor een loon van 60 euro per dag, dat cash werd betaald aan het eind van de week; en de inhouding van het loon om de werknemers te dwingen te blijven werken om hun achterstallige loon te ontvangen. Hun tewerkstelling was niet aangegeven bij de RSZ en er waren geen sociale bijdragen betaald, waardoor ze geen sociale bescherming genoten. Deze elementen en de vergoeding die onder de geldende barema’s lag leverden de werkgever een materieel voordeel op. Wat de huisvestingsomstandigheden betrof, sliep het eerste slachtoffer in de auto van de werkgever of op een matras op de vloer van de kelder van de bakkerij, zonder douche, en waste hij zich aan de wastafel in de toiletten. Het tweede slachtoffer logeerde eveneens twee tot drie keer per week ter plaatse, zonder een matras en met een zeil als deken. De rechter nam als een element van mensenhandel ook het verzuim in aanmerking om een arbeidsongeval waarbij het eerste slachtoffer in maart 2019 een van zijn vingers verloor aan te geven bij de wetsverzekeraar.
De rechtbank achtte de verklaringen van de burgerlijke partijen geloofwaardig, omdat ze duidelijk, nauwkeurig en gedetailleerd waren. Ze werden gestaafd door andere elementen van het dossier, met name de verklaringen van meerdere arbeidskrachten, videobewakingsbeelden, een telefonieonderzoek en controles door de sociale inspectie.
Het echtpaar verscheen maar het bedrijf liet verstek gaan tijdens het proces. De mannelijke beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, volledig met uitstel, tot een geldboete van 40.000 euro en tot een levenslange ontzetting uit zijn rechten. Een verbeurdverklaring per equivalent van 49.966,61 euro werd uitgesproken en dat bedrag werd toegewezen aan de twee Marokkaanse mannen, terwijl 26.900 euro op de rekening van de COIV verbeurd werd verklaard en toegewezen werd aan drie burgerlijke partijen. De echtgenote werd veroordeeld tot een geldboete van 25.600 euro met gedeeltelijk uitstel en de vennootschap werd bij verstek veroordeeld tot een geldboete van 120.000 euro. De echtgenoot moet de twee Marokkaanse mannen 18.502,28 en 31.464,33 euro materiële schadevergoeding betalen en 3.000 euro en 4.000 euro morele schadevergoeding.
Deze beslissing is definitief maar de zaak werd heropend voor het RSZ-gedeelte.