De rechtbank boog zich over deze omvangrijke zaak van valse detacheringen en schijnzelfstandigheid in de bouwsector.

Negen beklaagden – met de Belgische, de Roemeense en de Poolse nationaliteit – werden onder meer vervolgd voor mensenhandel, huisjesmelkerij, leiderschap en deel uitmaken van een criminele organisatie en meerdere inbreuken op het sociaal strafrecht. Daaronder waren er twee vennootschappen, de derde en de vierde beklaagde. De derde beklaagde was een bouwfirma, de vierde beklaagde een vastgoedbedrijf. De vijfde beklaagde was intussen overleden. Er was sprake van feiten van mensenhandel ten aanzien van 117 slachtoffers.

De zaak kwam voor het eerst aan het licht in 2013 na een melding van overlast in een zogezegd leegstaand pand waar meerdere Roemeense mannen werden aangetroffen. Dat trok de aandacht van de autoriteiten, waarna er observaties plaatsvonden door de politie. Men stelde vast dat er een grote groep mannen verbleef die dagelijks vroeg in de ochtend werden opgepikt en naar werven werden vervoerd. Meerdere firma’s konden in verband worden gebracht met deze activiteiten.

Een onderzoek volgde, vanaf 2016 ook een gerechtelijk onderzoek. In het kader van dat onderzoek werd er overgegaan tot afluistermaatregelen, observaties op verschillende locaties, huiszoekingen en uiteindelijk arrestaties. Er werd eveneens een rechtshulpverzoek gedaan aan de Roemeense gerechtelijke autoriteiten.

De twee vennootschappen die werden vervolgd werden aanvankelijk allebei uitgebaat door de eerste beklaagde. Nadien werden de tweede beklaagde en de achtste beklaagde, de vriendin van de hoofdbeklaagde, aangesteld als zaakvoerder van respectievelijk de vierde en de derde beklaagde. Onder meer omdat de eerste beklaagde in een andere zaak was veroordeeld tot een verbod om de functie van zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap uit te oefenen.

Uit het onderzoek bleek dat vier Belgische bouwondernemingen exclusief in onderaanneming werkten voor de derde beklaagde. Die derde beklaagde had geen enkele werknemer in dienst, werkte louter met onderaannemers en stond zelf in voor de coördinatie van de bouwwerken. Aan elk van deze bouwbedrijven werden er vier of vijf Roemenen gekoppeld als meewerkende vennoten. Dat was een dekmantel om de administratieve beslommeringen van de detachering te omzeilen. Bovendien konden deze vennoten de klok rond en zeven dagen per week werken, zonder beperkingen. De zevende beklaagde had tijdens het onderzoek verklaard dat hij de eerste beklaagde had geholpen met het opzetten van deze constructie met de vier bouwbedrijven. Die vier bouwondernemingen hadden ook vennoten met een adres in het Verenigd Koninkrijk. Op dat adres was een onderneming gevestigd die gespecialiseerd was in het online oprichten van offshorebedrijven, waarvan vier Roemenen de vertegenwoordigers waren. Een van hen, de zesde beklaagde, was de vader van de tweede beklaagde. De zevende beklaagde was de zaakvoerder van deze onderneming.

Op een gegeven moment werden de vier Belgische ondernemingen overgenomen door een Roemeens bedrijf. Daartoe werd er een slapende vennootschap opgekocht waarin de vier andere vennootschappen en alle arbeiders/vennoten werden ondergebracht. Dat Roemeense bedrijf voerde werken uit in onderaanneming voor de hoofdbeklaagde. Het had evenwel geen enkele opdrachtgever in Roemenië en was dus in werkelijkheid een “postbusvennootschap”.

Uit het onderzoek bleek dat de eerste beklaagde de werkelijke baas was. Hij had de leiding, controleerde alles en gaf de instructies. Hij was geen zaakvoerder meer van de derde beklaagde maar uit het onderzoek bleek wel dat hij de hoofdaandeelhouder bleef en een volmacht had over de rekeningen.

De werknemers die actief waren voor de Roemeense firma werkten zes dagen per week, veertien uur per dag met een half uur middagpauze. Daarvoor kregen ze 1.400 euro per maand, wat neerkomt op 4 euro per uur. Uit onderzoek bleek dat alle bij de detachering voorgelegde A1-formulieren vals waren. De Roemeense firma en de derde beklaagde maakten winst door de bijzonder lage lonen en door het niet-betalen van de sociale bijdragen in België en in Roemenië.

Daarnaast waren er een twintigtal (schijn)zelfstandigen die rechtstreeks werkten voor de derde beklaagde.

De werknemers verbleven in woningen waarvan de hoofdbeklaagde eigenaar was via een vennootschap, de vierde beklaagde. De huur werd betaald aan de vierde beklaagde.

De rechtbank meende dat er een duidelijke gezagsverhouding bestond tussen de tweede beklaagde en de derde beklaagde. De tweede beklaagde moest eigenlijk worden beschouwd als een werknemer van de derde beklaagde.

De rechtbank oordeelde dat er bij 113 werkkrachten kon worden aangetoond dat zij effectief gewerkt hadden binnen deze constructie.

De rechtbank stelde dat er alleen sprake is van het misdrijf mensenhandel als het wordt aangetoond dat de dader de bedoeling heeft om personen economisch uit te buiten. Het misdrijf vereist een bijzonder opzet; het feit dat er alleen sprake is van arbeid in mensonwaardige omstandigheden volstaat niet. Het feit dat er sprake is van inbreuken op de sociale wetgeving is evenmin voldoende om te gewagen van arbeid in strijd met de menselijke waardigheid. Bovendien kan dat misdrijf niet los worden gezien van artikel 23 van de Grondwet dat bepaalt dat iedereen het recht heeft om een menswaardig leven te leiden. Het houdt in dat arbeid waardig moet zijn en arbeid is waardig als die gebeurt in omstandigheden van vrijheid, billijkheid en veiligheid.

Volgens de rechtbank was de eerste beklaagde wel degelijk schuldig aan mensenhandel ten aanzien van 113 werkkrachten. Hij had de centrale, leidende rol bij het opzetten van de constructies van valse detacheringen en schijnzelfstandigheid die de economische uitbuiting van de arbeiders mogelijke maakten en zelfs tot doel hadden. De arbeiders werkten lange dagen, zes dagen per week en ontvingen een laag loon dat op hun rekening in Roemenië werd gestort. Ze kregen geen vakantiegeld of eindejaarspremie; onkosten werden niet vergoed. Op ziektedagen werden ze evenmin vergoed. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst en de arbeiders bleven in het ongewisse over hun loon. Ze genoten geen enkele sociale bescherming. De economische uitbuiting vormde het centrale verdienmodel in de hele constructie van valse detacheringen en schijnzelfstandigheid. Ook de verzwarende omstandigheden achtte de rechtbank bewezen.

De andere beklaagden werden eveneens veroordeeld voor mensenhandel. De negende beklaagde, een projectontwikkelaar voor wie de derde beklaagde werken uitvoerde als onderaannemer, werd vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen omdat er niet met zekerheid kon worden gesteld dat hij op de hoogte was van de uitbuiting.

De beklaagden werden daarnaast veroordeeld voor de overige tenlasteleggingen, waaronder huisjesmelkerij en leider of lid zijn van een criminele organisatie. Voor witwassen van illegale vermogensvoordelen werd de hoofdbeklaagde vrijgesproken.

De rechtbank stelde wel dat de redelijke termijn was overschreden en hield daarmee rekening bij de straftoemeting.

De twee hoofdbeklaagden werden veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van achttien maanden en tot een effectieve geldboete van 180.000 euro. De anderen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vijf maanden en tot geldboetes tussen 3.000 euro en 33.900 euro. Ten aanzien van de achtste beklaagde werd er een loutere schuldverklaring uitgesproken.

De vennootschappen kregen geldboetes tussen 102.000 euro en 678.000 euro.

Zes slachtoffers en de Vlaamse Wooninspectie stelden zich burgerlijke partij. Zij kregen morele schadevergoedingen van 250 euro en materiële schadevergoedingen tussen 8.000 euro en 40.000 euro.

Er werd beroep aangetekend tegen het vonnis.