De rechtbank boog zich over een groot smokkeldossier waarbij er 23 beklaagden werden vervolgd. De beklaagden hadden allemaal de Afghaanse nationaliteit. Onder hen waren er acht op het ogenblik van het vonnis al aangehouden. Negen beklaagden lieten verstek gaan.  

Achttien beklaagden werden vervolgd voor mensensmokkel met verzwarende omstandigheden (minderjarigheid, misbruik van een kwetsbare situatie, geweld, dwang en bedreigingen, het leven van de slachtoffers werd in gevaar gebracht, gewoonte en deelname aan een criminele organisatie). 

Daarnaast werden twee beklaagden, onder wie de hoofdbeklaagde, vervolgd voor leiderschap van een criminele organisatie. Bij de andere beklaagde herkwalificeerde de rechtbank dat in deelname aan de besluitvorming van een criminele organisatie. De rechtbank was van oordeel dat het niet boven elke redelijke twijfel was aangetoond dat hij een leidinggevende rol vervulde binnen de criminele organisatie. Ook zes andere beklaagden werden vervolgd voor de deelname aan de besluitvorming van een criminele organisatie. De overige beklaagden werden vervolgd voor lidmaatschap van een criminele organisatie. 

Twee beklaagden, onder wie de tweede beklaagde, werden eveneens vervolgd voor verkrachting of aanranding van de eerbaarheid met geweld en bedreiging van minderjarigen. Zes beklaagden werden voorts vervolgd voor meerdere misdrijven met betrekking tot het vervaardigen, verspreiden, verwerven, bezitten van en toegang verschaffen tot beelden van seksueel misbruik met minderjarigen. Sommige beklaagden werden vervolgd voor diefstal met geweld, het bezitten van verboden wapens, bedreigingen en belaging. 

De feiten deden zich voor van augustus 2020 tot oktober 2023. 

Uit het strafonderzoek bleek dat er een criminele organisatie actief was die zich op grote schaal bezighield met mensensmokkel waarbij de slachtoffers zowel op de smokkelroute als op hun eindbestemming het slachtoffer werden van geweld, intimidatie en seksueel misbruik. De zaak werd opgestart in oktober 2021 op basis van politionele inlichtingen dat meerdere personen deel uitmaakten van een internationale criminele organisatie die betrokken was bij de organisatie van mensensmokkel vanuit Afghanistan/Pakistan naar Europa en bij de handel in verdovende middelen. Deze organisatie zou opereren vanuit Antwerpen en zichzelf “2060” noemen. Onder meer via onderzoek naar sociale media (in het bijzonder TikTok) kwamen de feiten en de omvang daarvan aan het licht. Het onderzoek gebeurde eveneens op basis van telefonieonderzoek, telefoontaps, de uitlezing van de gsm-toestellen van beklaagden, verhoren van de slachtoffers, …  

De criminele organisatie was sterk internationaal vertakt en had banden in België, Turkije, Servië, Frankrijk en Duitsland. Ze bestond uit twee groepen: “2060- regering van Nangarhar” met Antwerpen als uitvalsbasis en “Dam Gham Lamba” met een uitvalsbasis in zowel Turkije als Frankrijk, al bleek uit het onderzoek dat die beide groepen nauwe contacten hadden met elkaar. De organisatie ging heel agressief tewerk. De smokkelslachtoffers werden bedreigd, geslagen en seksueel misbruikt, zowel op de smokkelroute als bij aankomst op hun eindbestemming. De ernstige geweldplegingen en het seksuele misbruik werden gefilmd en gedeeld, zowel onderling als op sociale media. Dat met het doel de slachtoffers af te persen en onder controle te houden. Slachtoffers die de moed hadden om belastende verklaringen af te leggen tegen de leden van de criminele organisatie werden bedreigd, belaagd en fysiek aangevallen. Een van de slachtoffers moest meermaals verhuizen na bedreigingen en diende uiteindelijk zelfs in een veilig huis geplaatst te worden door de politiediensten.  

De leden van de criminele organisatie hadden allemaal een uiteenlopende rol en verschillende taken.  

De hoofdbeklaagde was de leider van de criminele organisatie die bestond uit de groeperingen “Dam Gham Lamba” en “2060”. Hij had een groot aantal mensen onder zich die zich veelal in Turkije en Servië bevonden en elk hun eigen taak hadden binnen de organisatie. Hij had de absolute controle over de smokkelroutes en had contact met elke smokkelaar. 

De tweede beklaagde had eveneens een belangrijke rol binnen de organisatie. Hij stond mee in voor de praktische uitvoering van de smokkel in meerdere landen op de reisroute binnen Europa: hij zorgde voor vervoer en wachtte de slachtoffers op. Hij schuwde het geweld niet en gebruikte daarbij messen en vuurwapens. Daarnaast ging hij effectief over tot seksueel misbruik, het verspreiden van de beelden van het misbruik en het bedreigen van de slachtoffers. Zo had hij één van de minderjarige slachtoffers acht maanden lang misbruikt en het misbruik op beeld vastgelegd. Hij stond ook terecht voor verkrachting.  

Onder hen stonden er meerdere beklaagden die elk hun rol hadden binnen de organisatie en die mee zorgden voor de smokkel van de slachtoffers, en sommigen van hen ook voor het maken of verspreiden van de beelden van het misbruik.  

De rechtbank meende dat de meeste feiten op het vlak van mensensmokkel bewezen waren.  

Uit het onderzoek bleek dat de beklaagden een vermogensvoordeel puurden uit de mensensmokkel. De rechtbank beschouwde wie bewust had meegewerkt als mededader, ongeacht of hij daaruit al dan niet een persoonlijk vermogensvoordeel had gepuurd. 

De rechtbank achtte de verzwarende omstandigheden bewezen. De slachtoffers bevonden zich in een precaire en kwetsbare situatie waarbij ze volledig waren overgeleverd aan de beklaagden. Het leven van de slachtoffers werd in gevaar gebracht op de gevaarlijke smokkelroute. Er werd geen rekening gehouden met potentieel grote risico’s, wat duidt op het opzettelijk, of minstens door grove nalatigheid, in gevaar brengen van het leven van de slachtoffers.  

Volgens de rechtbank stond het vast dat het over een criminele organisatie ging. De groep was in staat om op het juiste moment samen te werken en grote vermogensvoordelen te realiseren door mensen tegen betaling te smokkelen over vaste routes en ging volgens een vaste modus operandi tewerk. De leden maakten soms verre verplaatsingen vanuit verschillende landen om elkaar op regelmatige tijdstippen te ontmoeten, wat aantoont dat er sprake was van een gewoonte.  

Drie beklaagden werden wel vrijgesproken voor alle feiten van mensensmokkel maar werden schuldig bevonden als lid van een criminele organisatie. Een van hen werd over de hele lijn vrijgesproken.  

De rechtbank beschouwde de hoofdbeklaagde als de leider van de organisatie. De andere beklaagden waren schuldig aan de deelname aan de besluitvorming van een criminele organisatie of als lid van de criminele organisatie.   

De twee beklaagden die vervolgd werden voor verkrachting en/of aanranding werden daaraan effectief schuldig bevonden.  

Ook de beklaagden die werden vervolgd voor het vervaardigen, het verspreiden, het bezit en het verwerven van beelden van seksueel misbruik werden daaraan schuldig bevonden. 

Een van de beklaagden bevond zich in een staat van wettelijke herhaling. Meerdere andere beklaagden hadden al een strafblad in andere Europese landen voor handel in verdovende middelen, slagen en verwondingen, … 

De rechtbank sprak zware straffen uit.  

De hoofdbeklaagde en de tweede beklaagde werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar en tot geldboetes van respectievelijk 2.712.000 euro en 96.000 euro. 

De beklaagden die schuldig werden bevonden aan mensensmokkel en deelname aan de besluitvorming van een criminele organisatie werden veroordeeld tot gevangenisstraffen tussen negen jaar en veertien jaar en tot geldboetes tussen 24.000 euro en 2.064.000 euro. Ze werden allemaal voor twintig jaar uit hun rechten ontzet.  

De andere beklaagden, die schuldig werden bevonden aan mensensmokkel en lidmaatschap van een criminele organisatie, kregen gevangenisstraffen tussen veertig maanden en acht jaar en geldboetes van 1.600 euro tot 24.000 euro. Ze werden tien jaar ontzet uit hun rechten.  

Vier slachtoffers, Afghaanse jongens van wie er één minderjarig was, stelden zich burgerlijke partij. Een slachtoffer kreeg een schadevergoeding materieel en moreel vermengd van in totaal 3.470 euro en een provisionele schadevergoeding van 10.000 euro, naast de aanstelling van een gerechtsdeskundige. Een ander slachtoffer kreeg 5.000 euro provisioneel moreel en materieel vermengd. 

Myria, Child Focus, PAG-ASA en Payoke stelden zich burgerlijke partij en kregen respectievelijk schadevergoedingen van 1 euro en 2.500 euro. 

Tegen deze beslissing werden beroep en verzet aangetekend.