Correctionele rechtbank van Aarlen, 8 april 2024
De rechtbank boog zich over een dossier waarin twee Mauritiaanse beklaagden, een man en een vrouw, werden vervolgd voor diverse tenlasteleggingen, met name voor mensenhandel met het oog op gedwongen criminaliteit (oplichting) ten nadele van twee Mauritiaanse mannen, en voor mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting van een Kaapverdische vrouw.
De vrouwelijke beklaagde postte met de hulp van de mannelijke beklaagde valse profielen op het internet, om meerdere vrouwen van Malagassische of Kaapverdische origine te verleiden en een online relatie met hen aan te gaan om hen op te lichten. Drie van die slachtoffers, onder wie het Kaapverdische slachtoffer van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, en de twee Mauritiaanse mannen stelden zich burgerlijke partij.
De eerste Mauritiaanse man was een model. Hij was door de vrouwelijke beklaagde geworven, op aansporing van de mannelijke beklaagde, en gaf de fictieve personages een reëel en geloofwaardig leven. Hij stuurde berichten en foto’s naar de verleide vrouwen en organiseerde fysieke ontmoetingen.
Voor deze feiten weerhield de rechtbank de tenlastelegging van mensenhandel met het oog op gedwongen criminaliteit, waarbij ze rekening hield met het feit dat het slachtoffer werd bewaakt, de bedreigingen (in de praktijk gebracht met harde klappen) door de mannelijke beklaagde, het feit dat alle activiteiten van het slachtoffer werden bepaald, de misleiding over de aard van zijn werk, en zijn illegale verblijfssituatie. De rechter gaf ook aan dat het relatieve comfort van zijn huisvesting door de beklaagden niet uitsloot dat hij onder hun controle stond. De mannelijke beklaagde werd eveneens veroordeeld voor slagen en verwondingen aan het slachtoffer.
Tegelijk werd de tenlastelegging van mensenhandel niet weerhouden voor de feiten met betrekking tot de tweede Mauritaanse man, die door een gespecialiseerd opvangcentrum werd begeleid. De vrouwelijke beklaagde had hem voorgesteld naar België te komen om er als mecanicien te werken, en had daartoe effectief stappen ondernomen. Deze man had net als de mannelijke beklaagde de activiteiten van de eerste Mauritiaanse man in het oog gehouden en had deelgenomen aan de afranseling van dat slachtoffer door de mannelijke beklaagde. De rechter meende dat het niet was aangetoond dat de tweede Mauritiaanse man onder controle stond, omdat hij autonomie en bewegingsvrijheid genoot en willens en wetens met de oplichting had ingestemd. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om zich uit te spreken over zijn burgerlijke partijstelling, aangezien de beklaagden waren vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen die op hem betrekking hadden.
De beklaagden werden eveneens vrijgesproken voor de tenlastelegging inzake mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting van de vrouw van Kaapverdische origine. Die laatste had op verzoek van haar fictieve “partner” (achter wie de vrouwelijke beklaagde schuilging) effectief bij de beklaagde gewoond. Volgens haar verklaringen werd ze gedwongen tot seksuele betrekkingen met de twee beklaagden, eveneens op verzoek van haar fictieve “partner”. De rechtbank meende evenwel dat zij voldoende onderscheidingsvermogen had en materiële middelen die haar in staat stelden om andere keuzes dan deze te maken, en dat ze totaal niet onder controle stond. De rechter weerhield de tenlastelegging dus niet, vanuit de mening dat er geen sprake was van seksuele uitbuiting in de zin van artikel 433quinquies van het Strafwetboek aangaande mensenhandel, tenzij men de betekenis van die tekst zou verdraaien, en baseerde zich met name op het feit dat zij niet stelde het slachtoffer van een dergelijke uitbuiting te zijn. De vrouwelijke beklaagde werd wel veroordeeld voor verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit van het slachtoffer, dat niet kon instemmen met seksuele activiteiten waarover ze werd misleid.
De vrouwelijke beklaagde werd eveneens veroordeeld voor verkrachting, verzwaard door misleiding, van een andere vrouw van Malagassische origine die door de valse profielen was verleid. Het slachtoffer had, net als de vrouw van Kaapverdische origine, haar intrek bij haar genomen en had een seksuele relatie met die laatste om haar fictieve “partner” een plezier te doen.
De rechtbank veroordeelde de beklaagden eveneens voor valsheid in informatica, oplichting, bendevorming en inbreuken op de wapenwet.
De beklaagden werden veroordeeld tot respectievelijk een gevangenisstraf van twee jaar met uitstel (voor de man) en een gevangenisstraf van vier jaar (voor de vrouw), en tot een geldboete van 8.000 euro met uitstel voor de mannelijke beklaagde. Ten laste van de mannelijke beklaagde werd er een verbeurdverklaring van 335 euro uitgesproken. De beklaagden werden veroordeeld tot de betaling van een provisionele som van 1.000 euro aan de burgerlijke partij die het slachtoffer was van gedwongen criminaliteit; de andere burgerlijke partijen kregen provisionele sommen van 10.000 tot 20.000 euro toegewezen.
Er werd beroep aangetekend tegen deze beslissing.