Correctionele rechtbank Gent, 5 januari 2022
De rechtbank sprak zich uit over een dossier rond mensenhandel waarbij er gebruik werd gemaakt van constructies van vennootschappen. Meerdere dossiers werden in deze zaak samengevoegd. Drie beklaagden werden vervolgd. De eerste beklaagde en de tweede beklaagde, die de Indiase en de Belgische nationaliteit hadden, waren de zaakvoerders. De derde beklaagde was een vennootschap. De vennootschap was op het moment van de procedure al ontbonden.
Ze werden vervolgd voor mensenhandel met verzwarende omstandigheden ten aanzien van vier personen, en voor andere inbreuken op het sociaal strafrecht ten aanzien van meerdere personen. Een slachtoffer met de Indiase nationaliteit stelde zich burgerlijke partij.
Tijdens meerdere controles in een carwash en verschillende nachtwinkels in de regio van Gent werden er meermaals personen in onwettig verblijf aan het werk aangetroffen.
Het was aanvankelijk niet duidelijk wie de uitbaters waren van de zaken. Er werd een kluwen van constructies van verschillende vennootschappen gecreëerd met meewerkende vennoten en zaakvoerders die elkaar voortdurend afwisselden. Deze personen begrepen vaak niet wat het inhield om zaakvoerder te zijn en beseften niet dat zij verantwoordelijk konden worden gesteld in het geval van een faillissement …
Als gevolg van de vaststellingen werd de carwash in beslag genomen en verzegeld. Op dat moment kwamen de beklaagden in beeld doordat zij om de opheffing van het beslag vroegen. De beide beklaagden waren al gekend bij de politie, onder meer voor mensensmokkel en mensenhandel met het oog op economische uitbuiting.
Tijdens het onderzoek dat daarop volgde, werd er gefocust op de banden tussen de verschillende vennootschappen, namelijk tussen de vennootschap zijnde de “derde beklaagde” en de verschillende vennootschappen gelinkt aan de eerste beklaagde. De onderzoekers meenden een patroon te zien in de profielen van de zaakvoerders en de vennoten die actief waren in de vennootschap, de derde beklaagde, en de vennootschappen waarbij de eerste beklaagde betrokken was. Deze laatste vennootschappen baatten onder meer nachtwinkels uit.
Het onderzoek legde een bepaalde modus operandi bloot:
- de tewerkstelling tegen onevenwichtige voorwaarden in een schijnstatuut als werkend vennoot, met uitbuiting tot gevolg;
- het huisvesten van personen op steevast dezelfde adressen, in het bijzonder in panden waarvan de eerste beklaagde de eigenaar was en waarbij hij een abnormaal profijt probeerde te puren uit de huur en uitbatingsovereenkomsten die hij afsloot.
De verschillende personen in het dossier – beklaagden, slachtoffers en andere betrokkenen – leken elkaar te kennen van de “tempel”. Daarnaast leek de eerste beklaagde verblijfsvergunningen van landgenoten te regelen, wat hem veel macht gaf. Er zouden ook tegen betaling schijnhuwelijken tussen Indiërs en Pakistani en Europese vrouwen worden geregeld met de bedoeling een verblijfsrecht in België te bekomen. Bijna al deze verdachte huwelijken vonden plaats in het buitenland (Denemarken, Zweden, India en het Verenigd Koninkrijk).
In het eerste dossier ten aanzien van een slachtoffer dat illegaal tewerkgesteld was in een carwash oordeelde de rechtbank dat de inbreuken op het sociaal strafrecht bewezen waren, in tegenstelling tot de tenlastelegging mensenhandel. Hoewel het duidelijk was dat er een te laag loon was afgesproken en uitbetaald, was het bijzondere opzet voor de rechtbank niet aangetoond om het slachtoffer in mensonwaardige omstandigheden tewerk te stellen, aan te werven, te vervoeren of te huisvesten. Het slachtoffer was niet verplicht om in de carwash te werken, maar had daar zelf om gevraagd. Hij was evenmin verplicht om in de lokalen achter de carwash te overnachten, wat hij maar een paar keer vrijwillig deed omdat hij toen dakloos was. Voorts oordeelde de rechtbank dat er in het strafdossier geen andere objectieve getuigen/vaststellingen waren van mensonwaardige omstandigheden waarin het slachtoffer zou zijn tewerkgesteld. De foto’s van de lokalen achter de carwash vormden daarvan geen overtuigend bewijs.
Het andere dossier ging over het feit dat de eerste beklaagde via zijn vennootschap tegen onredelijke voorwaarden de carwash verhuurde aan de vennootschap van twee andere slachtoffers.
Het Openbaar Ministerie ging uit van de hypothese dat de eerste beklaagde een constructie had opgezet. Hij zou de twee slachtoffers onder druk hebben gezet om hun vennootschap twee overeenkomsten te laten afsluiten, namelijk een huurovereenkomst en een uitbatingsovereenkomst voor de carwash. De dubbele financiële verplichtingen die daaruit voortvloeiden zouden in die hypothese de carwash per definitie onrendabel hebben gemaakt. De facto zouden de twee slachtoffers arbeid hebben moeten verrichten in mensonwaardige omstandigheden doordat zij er quasi niets aan overhielden en aangezien dat enkel en alleen de eerste beklaagde ten goede kwam.
De rechtbank oordeelde daarover dat het geveinsde karakter van de vennootschap van de slachtoffers moest worden aangetoond en dus de rechtspersoonlijkheid van deze vennootschap moest worden doorprikt, of minstens het bewijs moest worden geleverd dat de eerste beklaagde achter de schermen betrokken was bij het management en het beheer van deze vennootschap. Op basis van het strafdossier kon noch het geveinsde en fictieve karakter van de vennootschap van de slachtoffers, noch het geveinsde karakter van de huuruitbating worden vastgesteld. Het was dus niet aangetoond dat de slachtoffers arbeid verrichtten voor of onder het gezag van de eerste beklaagde. Ook hier achtte de rechtbank de tenlastelegging inzake mensenhandel niet bewezen.
Wat de feiten ten aanzien van nog een ander slachtoffer betrof, ging het Openbaar Ministerie uit van de hypothese dat er sprake was van een geveinsde situatie waarbij het vennoot- en medezaakvoerderschap van dat slachtoffer bij de vennootschap, de derde beklaagde, neerkwam op een tewerkstelling in ondergeschikt verband voor de eerste beklaagde. Het mensonwaardige karakter zou erin bestaan dat het slachtoffer onvoldoende verdiende, dat de tweede beklaagde diegene was die alles besliste, dat het voor het slachtoffer geen vrije keuze was om op die manier te leven en dat hem niet werd uitgelegd wat het betekent om zaakvoerder te zijn. De rechtbank oordeelde dat een tewerkstelling in ondergeschikt verband niet was aangetoond en dat er geen sprake was van schijnzelfstandigheid.
Deze uitspraak is definitief.