De rechtbank beoordeelde deze zaak waarin drie beklaagden, waaronder een hotel onder de vorm van een naamloze vennootschap, werden vervolgd voor meerdere inbreuken op het sociaal strafrecht betreffende diverse personen zonder verblijfsvergunning en reguliere werknemers, alsook voor mensenhandel onder verzwarende omstandigheden ten aanzien van een van die personen in een illegale administratieve situatie. Het ging om een Tunesische man die zich burgerlijke partij gesteld heeft en die werd begeleid door een centrum dat gespecialiseerd is in de opvang van slachtoffers van mensenhandel, alsook door Samusocial. De feiten in kwestie werden gepleegd tussen november 2017 en augustus 2018.  

Het onderzoek werd opgestart naar aanleiding van een klacht wegens onbetaalde lonen die een van de werkneemsters van het hotel bij de Sociale Inspectie had ingediend in februari 2018. Bij een controle in het hotel in maart 2018 had de inspecteur van TSW matrassen en een slechte geur waargenomen in het washok, alsook twee personen die was aan het plooien waren. Een van hen, die niet geïdentificeerd werd, onttrok zich aan de controle op aangeven van de beklaagde die haar wegstuurde om boodschappen te doen. Bij een controle door de RVA in september 2022 werden er opnieuw twee werkneemsters die aan de slag waren ontdekt. De beklaagde betwistte de tewerkstelling en beweerde dat ze hun persoonlijke kleding wasten. 

De eerste Belgische beklaagde, een nicht van de tweede beklaagde, bezat 1% van de aandelen van de vennootschap. Omdat ze nooit had deelgenomen aan de activiteiten van de vennootschap of de uitbating van het hotel en nooit werd bezoldigd in dat kader, heeft de rechtbank haar vrijgesproken voor alle tenlasteleggingen. De rechtbank was van oordeel dat zij ten aanzien van de werknemers van het hotel niet als werkgever, mandataris of aangestelde in de zin van het sociaal strafrecht kon worden beschouwd.  

De tweede Belgische beklaagde, die geboren was in Marokko, bezat 99% van de aandelen van de vennootschap. Naast zijn handelsactiviteit verstrekte hij eten en onderdak aan daklozen en migranten.

De Tunesische burgerlijke partij had Tunesië verlaten in 2014 en had via Griekenland gereisd, twee jaar en een half in Duitsland gewoond om vervolgens via carpooling naar België te komen. Ze had de beklaagde in 2017 ontmoet. Uit meerdere verhoren van de partijen en andere werknemers bleek dat de burgerlijke partij in het washok werd ondergebracht, of in een kamer indien die beschikbaar was. Ze werd geleidelijk belast met het beheer van de migranten, deed de boodschappen, plooide de was, maakte de kamers schoon, maakte de vuilnisbakken leeg, bracht het personeel eten, maakte het ontbijt klaar en deelde het uit aan de migranten. Het slachtoffer verklaarde weinig loon te hebben ontvangen, meer bepaald 30-50 euro in sommige weken, terwijl de beklaagde het bestaan van het werk betwistte. De burgerlijke partij verklaarde dat ze altijd beschikbaar moest zijn, maar drie tot vier uur per nacht kon slapen en het agressieve gedrag van de beklaagde moest ondergaan. De verklaringen werden bevestigd en tegengesproken door die van de andere werknemers in het hotel. De rechtbank was trouwens van mening dat de duidelijke vijandigheid van de werkneemster, die de verklaringen van het slachtoffer bevestigde, ten aanzien van de beklaagde twijfels deed rijzen over haar verklaringen. 

De Belgische beklaagde en de vennootschap werden vrijgesproken voor de tenlastelegging mensenhandel. De rechtbank was van oordeel dat het hier niet om uitbuiting van het werk van derden ging. De rechtbank oordeelde immers dat de precaire en amper menswaardige huisvesting die aan de migranten werd aangeboden geen tegenprestatie vormde voor hun werk en dat de beklaagde de toegang tot die huisvesting niet liet afhangen van het uitvoeren van enig werk. De prestaties van de migranten werden beschouwd als onregelmatig en uitgevoerd als humanitair werk en wederzijdse hulp in het kader van migranten die samenwonen. Zoiets valt niet onder het begrip arbeid in de zin van artikel 433quinquies van het Strafwetboek of onder werk in de zin van het Sociaal Strafwetboek. De rechtbank stipte evenwel aan dat het betoog van de burgerlijke partij duidelijk, nauwkeurig en gedetailleerd was. 

De twee beklaagden werden vrijgesproken voor een deel van de inbreuken op het sociaal strafrecht, met name die ten aanzien van de burgerlijke partij aangezien er geen arbeidsprestaties in haar hoofde konden worden bewezen. Ze werden met name vrijgesproken voor de tenlastelegging van het niet onmiddellijke aangeven van een ernstig arbeidsongeval van de burgerlijke partij. De rechtbank was van mening dat het niet om een arbeidsongeval ging, vermits er niet kon worden aangenomen dat ze door de beklaagde was tewerkgesteld. Het slachtoffer had verklaard een ongeval te hebben gehad terwijl ze een matras verplaatste in het huis van de beklaagde, met een persoonlijke arbeidsongeschiktheid van vier maanden, problemen met de onderrug en de heup en een depressie als gevolg. De beklaagde en het hotel werden voor de weerhouden inbreuken op het sociaal strafrecht respectievelijk veroordeeld tot een geldboete van 32.000 euro en van 128.000 euro, gedeeltelijk met uitstel en, voor de tenlastelegging verhindering van toezicht, tot een geldboete van 4.800 euro en 32.000 euro, gedeeltelijk met uitstel.  

Er werd beroep aangetekend tegen de beslissing.