In deze zaak heeft de rechtbank twee beklaagden, een vennootschap en haar zaakvoerder met de Indiase nationaliteit veroordeeld voor verzwaarde mensensmokkel en mensenhandel met het oog op economische uitbuiting van een Indiaas slachtoffer, dat zich burgerlijke partij had gesteld, en voor diverse inbreuken op het sociaal strafrecht.   

Het dossier werd geopend na een controle door de sociale inspectie in 2020. De burgerlijke partij werd dezelfde dag door de inspectie ondervraagd. Hij verklaarde in 2012 India te hebben verlaten om in België in het zwart te werken, vooral in verscheidene carwashes en uiteindelijk in die van de beklaagde toen die in 2017 geopend werd.    

De rechtbank veroordeelde de beklaagde en zijn vennootschap voor mensenhandel met het oog op economische uitbuiting. Daarbij baseerde zij zich op het feit dat de vergoeding het slachtoffer geen fatsoenlijk alternatief bood, op het feit dat de beklaagde van zijn illegale en precaire administratieve situatie op de hoogte was, en op het ontbreken van pauzemomenten of mogelijkheden om zich te verzorgen. Bovendien werden de huisvestingsvoorwaarden als mensonwaardig beschouwd: de arbeider verbleef in een onbewoonbare caravan, zonder verwarming, die in de carwash stond. Het enige sanitair was een wc zonder stromend water, en een dubbele wasbak zonder warm water. De vloer was bezaaid met uitwerpselen van ongedierte, de beschikbare koelkast was die van de klanten en als het te warm was, sliep hij op een matras in het kantoor. Deze elementen werden gestaafd door foto’s die de inspecteurs hadden gemaakt. De rechtbank herinnerde er in dat verband aan dat het begrip menselijke waardigheid en de kwalificatie van een arbeidsrelatie in het licht van de Belgische wetgeving moeten worden beschouwd.    

Voor de veroordeling van de beklaagde en zijn vennootschap voor mensensmokkel hield de rechtbank rekening met het feit dat het slachtoffer, een klant van zijn nachtwinkel, werd geronseld door een beroep te doen op hun gemeenschappelijke Indiase nationaliteit en met de valse belofte dat hij zou kunnen kiezen hoeveel en hoe hij zou werken. Het slachtoffer werd misleid over zijn arbeidsvoorwaarden, met name over het beloofde loon. Hij bevond zich ook in een precaire situatie, als gevolg van zijn gevoel van schuldplichtigheid omdat hij huisvesting had gekregen, en zijn door de beklaagde gekende illegale situatie. Volgens de rechtbank had de beklaagde de hoedanigheid van werkgever en genoot hij een comfortabel vermogensvoordeel door het slachtoffer in België te laten verblijven. Het ontbreken van de intentie om het slachtoffer volgens de wettelijke barema’s te vergoeden en zijn werk aan te geven werden eveneens in aanmerking genomen.  

De beklaagden werden allebei veroordeeld tot een geldboete van 24.000 euro en de zaakvoerder tot een gevangenisstraf van vier jaar, allemaal voor een deel met uitstel. Ten aanzien van de zaakvoerder werd er een verbeurdverklaring per equivalent van 206.639,83 euro uitgesproken. De rechtbank beval de betaling van 66.468,36 euro, geïnd bij de verbeurdverklaring, aan de burgerlijke partij als niet-ontvangen loon. De beklaagden werden voorts veroordeeld tot de betaling van 1.000 euro aan de burgerlijke partij als morele schadevergoeding.  

Er werd beroep aangetekend tegen de beslissing.