In dit dossier veroordeelde de rechtbank een Albanese beklaagde voor verzwaarde mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en pooierschap, en ook voor belaging van zijn echtgenote, een Albanese jonge vrouw.  

Het dossier werd in december 2021 opgestart toen het slachtoffer contact opnam met de politiediensten omdat zij bedreigd werd door haar echtgenoot. De echtgenote stond bij de politie bekend als een raamprostituee in de Aarschotstraat.  

Na een virtuele ontmoeting, terwijl de beklaagde in België in de gevangenis zat, trouwde het koppel in 2020 en daarna woonden ze samen in Albanië. In augustus 2021 trok het slachtoffer alleen naar België om zich te prostitueren, volgens haar verklaringen op herhaaldelijk aandringen van haar echtgenoot, wat die laatste ontkende. Uit het onderzoek bleek evenwel dat de in Albanië achtergebleven echtgenoot contact had opgenomen met twee Albanese prostituees, onder wie zijn voormalige vriendin, om hen over de komst van zijn echtgenote te informeren. De twee vrouwen gaven haar werkkleding en geld. Een van hen verklaarde dat de andere een prostitutieplaats had gevonden voor de echtgenote, op de plaats waar zij zelf had gewerkt. De man stuurde zijn echtgenote een groot aantal beledigende berichten en bedreigingen. Hij dreigde ermee haar entourage over haar activiteiten in te lichten of haar te doden. De belaging en de bedreigingen zouden zijn toegenomen nadat zij met hem had gebroken en klacht had ingediend. Zij verklaarde dat ze door kennissen van haar man in de gaten werd gehouden en onder druk werd gezet in verband met de hoede over hun in Albanië achtergebleven dochter. De echtgenoot nam zelfs twee keer deel aan een Albanees televisieprogramma dat veel ophef veroorzaakte op de sociale media en waarin hij leugens over haar vertelde. 

De twee Albanese prostituees werden verhoord, er vond een telefonieonderzoek plaats en er trok een internationale rogatoire commissie naar Albanië, in het kader waarvan de vader van het slachtoffer werd verhoord. 

Bij de veroordeling voor mensenhandel baseerde de rechtbank zich op het feit dat de beklaagde bij de aankomst van zijn echtgenote contact had opgenomen met de twee prostituees, en dat de intentie om de prostitutie van het slachtoffer uit te buiten was aangetoond wegens de uitgeoefende controle, met name op het aantal klanten, het beslissen over de uurregelingen en de dagelijkse opbrengsten. Als hij de inkomsten voldoende vond, stuurde de beklaagde haar gelukwensen en aanmoedigingen. In het andere geval beledigde en bedreigde hij haar. De vele verzendingen van geld, via Western Union en Moneygram, tussen het slachtoffer en de beklaagde of zijn familie, bewezen dat hij een abnormaal economisch voordeel uit haar prostitutie puurde. 

Bij de strafbepaling hield de rechtbank rekening met het feit dat de beklaagde niet had geaarzeld om zijn liefdesrelatie met het slachtoffer te benutten om haar in de prostitutie actief te laten worden en te houden, en vervolgens haar reputatie bij haar omgeving en in het Albanese medialandschap te besmeuren. De beklaagde bevond zich in staat van wettelijke herhaling en werd bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, tot een geldboete van 8.000 euro en tot de ontzetting uit zijn rechten.  

Dit vonnis is definitief.