Correctionele rechtbank van Antwerpen, 9 april 2024
De rechtbank sprak zich uit over een zaak waarin twee beklaagden, met de Belgische en de Marokkaanse nationaliteit, terechtstonden voor mensenhandel met oog op seksuele uitbuiting en verkrachting.
De politie kreeg meerdere meldingen en klachten van slachtoffers en van een bezorgde klant waarbij telkens een van de beklaagden betrokken was. De beklaagden hadden aanvankelijk een liefdesrelatie met hun slachtoffers, die zich vaak in een kwetsbare situatie bevonden. Die relaties gingen geregeld gepaard met dwang en geweld. Na verloop van tijd dwongen ze de slachtoffers om zich te prostitueren, in ruil voor drugs. De beklaagden plaatsten advertenties op een seksdatingplatform. Vaak werden de slachtoffers gedrogeerd, zodat zij nauwelijks konden reageren op de doorgaans heel extreme seksuele eisen van de beklaagden en klanten.
De rechtbank achtte de feiten bewezen. De verklaringen van de (meestal) Belgische slachtoffers waren – ondanks hun zware drugsverslaving – geloofwaardig en konden worden bevestigd door andere objectieve elementen. Volgens de rechtbank maakten de beklaagden hun slachtoffers verslaafd aan drugs of faciliteerden zij een bestaande verslaving, waardoor hun slachtoffers volledig afhankelijk van hen werden. De beklaagden gebruikten hun macht over de slachtoffers, verkregen door de continue drang naar drugs, om hen te misbruiken en hen seksueel uit te buiten.
De rechtbank oordeelde dat de slachtoffers zich in een kwetsbare situatie bevonden. Zij kampten met een zware drugsverslaving en zaten in een precaire sociale en financiële situatie, waardoor zij op alle vlakken afhankelijk waren van de beklaagden. Ook de feiten van verkrachting waren voor de rechtbank bewezen.
De beide beklaagden hadden een lang strafblad en bevonden zich in een staat van wettelijke herhaling. Ze kregen een gevangenisstraf van respectievelijk vijf jaar en zes jaar en geldboetes van 16.000 euro. Ook werden ze tien jaar uit hun rechten ontzet. Kleine sommen geld en telefoons werden verbeurdverklaard. De tweede beklaagde werd bij verstek veroordeeld.
Vijf personen stelden zich burgerlijke partij, meer bepaald twee slachtoffers, de moeder en twee zussen van een slachtoffer. De slachtoffers kregen schadevergoedingen van respectievelijk 10.000 euro en 5.001 euro provisioneel. De familieleden kregen een provisionele schadevergoeding van elk 2 euro. Voor de rechtbank was het duidelijk dat hetgeen hun dochter en zus had meegemaakt diepe emotionele sporen had nagelaten en morele schade had veroorzaakt.
De beslissing is definitief voor de eerste beklaagde.
De tweede beklaagde tekende uiteindelijk hoger beroep aan. Het hof van beroep van Antwerpen boog zich over de zaak in een arrest van 28 augustus 2024.