Twee personen werden vervolgd voor mensensmokkel waarvan de feiten zich afspeelden op de luchthaven van Antwerpen.

Eind 2018 werd op de luchthaven een vrouw aangehouden met een Brits paspoort die een vlucht naar Londen wou nemen. De fysionomische kenmerken van de vrouw kwamen niet overeen met de foto van het paspoort dat zij voorlegde. Haar verklaringen waren vaag en tegenstrijdig. Op dezelfde vlucht zaten twee mannen met de Britse nationaliteit maar eveneens van Eritrese origine. Een van die mannen had dezelfde achternaam als de vrouw. De drie beweerden elkaar niet te kennen. De politiediensten gingen over tot een onderzoek. De drie personen werden ondervraagd, hun gsm-toestellen werden uitgelezen, de camerabeelden van de luchthaven werden geanalyseerd en er werd een retroactief telefonieonderzoek gevoerd. Een foto van het Britse paspoort werd teruggevonden op het gsm-toestel van een van de beklaagden. De vrouw en de twee mannen waren afzonderlijk met een taxi van het station aangekomen maar nauwelijks enkele minuten na elkaar. De verklaringen van de drie waren bovendien tegenstrijdig: eerst beweerden ze elkaar niet te kennen, nadien verklaarden ze familie van elkaar te zijn.

Tijdens de procedure voor de rechtbank verklaarden de beklaagden dat ze respectievelijk de broer en de neef waren van de vrouw. De vrouw afkomstig uit Eritrea zou in Zweden geleefd hebben en na haar echtscheiding dakloos zijn geworden. De Zweedse migratie-instanties hadden haar asielaanvraag negatief beoordeeld en ze had een bevel om het grondgebied te verlaten ontvangen. De beklaagden hadden geprobeerd haar te helpen om naar het VK te reizen waar haar zoon en broer verbleven. De rechtbank stelde dat hij deze verklaringen niet kon beoordelen maar zich moest baseren op het strafdossier en dat daaruit bleek dat de beklaagden fungeerden als de passeurs.

De rechtbank herkwalificeerde de feiten wel naar art. 77 van de wet van 15 december 1980 omdat het moreel element, het bijzonder opzet “met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel” zoals voorzien in art. 77bis niet was aangetoond. De rechtbank volgde de verdediging in de redenering dat er gelet op de specifieke context en de familiale banden geen bewijs was van een direct of indirect vermogensvoordeel.

De rechtbank ging niet mee in het argument dat de beklaagden de hulp voornamelijk om humanitaire redenen hadden verleend. De beklaagden waren familieleden die specifiek en doelbewust naar België waren afgereisd om de doorreis van de vrouw naar het VK mee te organiseren en te begeleiden. Het ging niet om particuliere hulpverleners die primaire hulp of zorg verschaffen aan een persoon in illegaal verblijf.

Beide beklaagden werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en tot een geldboete van 13.600 euro, allebei met uitstel.

Er werd beroep aangetekend tegen deze beslissing.