Franstalige correctionele rechtbank van Brussel, 21 juni 2023
Dit dossier ging over Egyptische werkkrachten, waarbij werd vervolgd voor mensensmokkel en niet voor mensenhandel. Een Belgische beklaagde werd vervolgd voor meerdere inbreuken op het sociaal strafrecht ten aanzien van een groep Egyptische werkkrachten zonder verblijfstitel en voor mensensmokkel onder verzwarende omstandigheden ten aanzien van vijf van hen, in het kader van werven in Haacht en Hove. Een Belgische vakbond had zich burgerlijke partij gesteld. De vervolgingen tegen de broer en de vader van de beklaagde, die eveneens beklaagden waren op het proces, werden niet-ontvankelijk verklaard omdat hun recht op verdediging werd aangetast. De drie beklaagden, die de Belgische nationaliteit hadden, waren actief in meerdere vennootschappen binnen de bouw- en schoonmaaksector. De hoofdbeklaagde was zaakvoerder, enige vennoot, van de bouw- en slooponderneming. Zijn vader en zijn broer waren ook actief in de onderneming.
De onderneming voerde de ruwbouw uit op werven en besteedde werk in onderaanneming uit aan andere vennootschappen, met name aan een Italiaanse vennootschap die op de bouwplaats in Hove belast was met metselwerk en de verlijming van spaanplaten. Die liet de beklaagde toe om een beroep te doen op de fictieve en valse detachering van de Egyptische werkkrachten. De Italiaanse vennootschap – die geen enkele activiteit had in Italië – werkte uitsluitend op de twee werven in België en meerdere werknemers die ze in dienst had dachten dat ze voor de beklaagde werkten in het kader van zijn bouwbedrijf. Er was sprake van een keten van onderaanneming, waarbij de opdracht van de beklaagde zelf in onderaanneming was gegeven door de hoofdaannemer.
Het onderzoek werd opgestart op 5 oktober 2018 naar aanleiding van een sociaal conflict op de werf in Hove. De lokale politie werd ingelicht over de aanwezigheid van arbeiders in een 35 meter hoge kraan. Ze weigerden de kraan te verlaten uit protest omdat hun loon al meerdere maanden niet werd betaald en omdat de arbeids- en huisvestingsomstandigheden slecht waren. De werknemers verklaarden dat zij zelf naar België gekomen waren en via kennissen in contact gekomen waren met de vennootschap van de beklaagde. Ze werkten op meerdere werven en verdienden maximaal 50 euro per week, minder wanneer er voeding voor hen werd gekocht. Enkele dagen voor hun protestactie zouden ze met wapens zijn bedreigd. De politie kon ter plaatse de aanwezigheid van zeven personen vaststellen. De beklaagde was op de kraan geklommen om met de werknemers te praten. Daarop volgde een gevecht met een hamer en werd de broer van de beklaagde administratief aangehouden. Meerdere werknemers hebben het gedrag van de onderneming aangeklaagd bij de ambassade van Egypte. Sommigen van hen hebben ook contact opgenomen met de vakbondsafgevaardigde van de burgerlijke partij in Antwerpen. Een mandataris van de vakbond kwam ter plaatse en sprak met de werfleider (de hoofdaannemer) en de aanwezige werkkrachten. Na onderhandelingen werd er een voorlopig akkoord bereikt en vijf dagen later sloten de hoofdaannemer en de Italiaanse vennootschap een akkoord met het oog op de betaling van 55.000 euro op de derdenrekening van de raadsman van de vakbond, om de betaling van elke werknemer te garanderen. De vakbond nam ook contact op met de gemeente Lint om een woning voor hen te vinden via het Rode Kruis. De vennootschap van de beklaagde werd vervolgens failliet verklaard.
Er werden meerdere onderzoekshandelingen naar de bankrekeningen en het vermogen verricht. TSW, RSZ en CFI dienden in het kader van deze zaak onderzoeksverslagen in. Er werden inlichtingen opgevraagd bij de Italiaanse arbeidsinspectie en de Italiaanse instelling voor sociale zekerheid. Zowel de werkkrachten als de partijen bij het proces werden gehoord. De beklaagde was al eerder veroordeeld voor inbreuken op het sociaal strafrecht, met name voor het gebruik van meerdere vennootschappen als reservoir van werkkrachten, die frauduleus werden voorgesteld als onderaannemers zonder echte handelsactiviteit om sociale bijdragen te ontduiken.
De rechtbank veroordeelde de beklaagde voor mensensmokkel. De beklaagde heeft die tenlastelegging betwist bij het zien van de onderzoekselementen. De rechtbank hield rekening met het feit dat de beklaagde de werkkrachten ondergebracht had in een gebouw in slechte staat in Zaventem dat hij huurde. Hij bracht er 20 of 25 personen onder in slechte leefomstandigheden om hen te laten werken op de werven waar zijn vennootschap actief was. De rechtbank was van mening dat het winstoogmerk kon worden afgeleid uit de tewerkstelling van die werknemers zonder naleving van de loonschalen of de sociale en fiscale lasten op de arbeid in loondienst. Volgens de rechtbank kan de beklaagde worden beschouwd als een werkgever in de zin van het sociaal strafrecht omdat hij werkgeversgezag uitoefende over die personen, waarbij de kwetsbare toestand wordt afgeleid uit hun onzekere of illegale administratieve en sociale situatie, die elke echte en aanvaardbare alternatieve keuze dan zich aan dat misbruik te onderwerpen uitsluit.
De rechtbank veroordeelde de beklaagde eveneens voor illegale tewerkstelling van werknemers via valse detacheringen, niet-betalen van loon en tewerkstelling van buitenlanders zonder verblijfsvergunning of Dimona-aangifte. De beklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden en tot een geldboete van 32.000 euro, allebei met voorwaardelijk uitstel. De beklaagde werd voorts veroordeeld tot de betaling van een bedrag van 2.500 euro aan de burgerlijke partij als vergoeding voor de morele schade.
De beslissing is definitief.