In deze zaak werden een Belgische beklaagde van Braziliaanse origine en twee Braziliaanse vennoten bij verstek veroordeeld voor verscheidene inbreuken op het sociaal strafrecht (waaronder het niet betalen van het loon en het tewerkstellen van buitenlandse werkkrachten zonder verblijfsrecht). Die inbreuken werden gepleegd ten nadele van een tiental Braziliaanse werkkrachten, onder wie acht zonder verblijfsrecht. Twee van hen hadden zich burgerlijke partij gesteld. De Belgische beklaagde, zijn echtgenote en een van de vennoten werden eveneens veroordeeld voor mensensmokkel ten nadele van een van de burgerlijke partijen. In dit dossier werd er niet voor mensenhandel vervolgd.  

Het dossier werd opgestart toen een van de werkkrachten zonder verblijfstitel in Rixensart werd gecontroleerd aan het stuur van een bestelwagen van het bouwbedrijf van de Belgische beklaagde. Toen hij in februari 2017 in Jambes opnieuw werd gecontroleerd, bleek de werkkracht gedetacheerd te zijn door een Portugese vennootschap, die in werkelijkheid in Portugal geen enkele activiteit had, voor rekening van een Belgische lege onderneming, op haar beurt een onderaannemer van de vennootschap van de Belgische beklaagde. Hij had die laatste Belgische vennootschap in 2011 opgericht samen met zijn echtgenote en een derde. Vervolgens begon de beklaagde een samenwerking met de twee Braziliaanse beklaagden, van wie er één een voormalige werknemer was. In 2017 richtten ze in België een tweede vennootschap op, met de Belgische beklaagde als eerste zaakvoerder, die als Belgische onderaannemer optrad. De RSZ voerde verscheidene controles uit op meerdere werven. Werknemers legden ook verscheidene klachten neer bij de politie of bij het Toezicht op de Sociale Wetten, of via de vereniging Fairwork.  

De beklaagde gebruikte twee frauduleuze constructies om goedkoper personeel in te zetten.  

Ten eerste werden de Braziliaanse werkkrachten rechtstreeks in België geworven en via Portugese vennootschappen in Portugal aangegeven. Ze werden frauduleus in België gedetacheerd via onderaanneming en verscheidene vennootschappen, om te vermijden dat ze aan de Belgische sociale zekerheid onderworpen waren.   

Ten tweede ronselde de beklaagde Europese, met name Spaanse en Portugese, werkkrachten als schijnzelfstandigen voor zijn Belgische vennootschap, in een ondergeschikte relatie zonder autonomie of onafhankelijkheid.   

Wat de veroordeling voor mensensmokkel betreft, hield de rechtbank rekening met het feit dat het slachtoffer door de Belgische beklaagde geworven was, die hij had ontmoet via een kapster uit zijn dorp in Brazilië. In ruil voor de betaling van 1.000 euro leverde de beklaagde hem valse Portugese verblijfsdocumenten, zodat hij illegaal toegang kon krijgen tot het Belgische grondgebied om daar voor hem te werken, in het zwart, via een valse detachering uit Portugal. De beklaagde had hem en zijn echtgenote uitgenodigd voor een zogezegde vakantie in België, kwam hem in het station Brussel-Zuid ophalen en gaf hem tijdelijk onderdak. Het slachtoffer verklaarde dat hij het volledige loon waarop hij recht had nooit had ontvangen. De rechtbank veroordeelde ook de echtgenote, wegens haar onmisbare hulp, en een van de partners, wegens zijn actieve rol in het netwerk van bedrijven en de levering van valse verblijfsdocumenten.  

De beklaagde en zijn vennoten werden bij verstek veroordeeld tot gevangenisstraffen van zes tot dertien maanden en tot geldboetes van 24.000 euro tot 80.000 euro. De echtgenote werd bij verstek veroordeeld tot een geldboete van 8.000 euro. De beklaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot de betaling van 33.205,80 euro materiële schadevergoeding aan het slachtoffer van de mensensmokkel, en 91.819 euro aan de andere burgerlijke partij, uitsluitend voor de inbreuken op het sociaal strafrecht. De twee burgerlijke partijen moeten een morele schadevergoeding van 2.000 euro ontvangen.  

Deze beslissing is definitief.