De rechtbank sprak zich in deze zaak uit over feiten in de schoonmaaksector waarbij een Belgische beklaagde werd vervolgd voor meerdere inbreuken op het sociaal strafrecht, alsook voor mensensmokkel onder verzwarende omstandigheden ten aanzien van een Braziliaanse werkneemster. Ze had geen verblijfstitel, heeft zich burgerlijke partij gesteld en werd opgevangen door een centrum dat gespecialiseerd is in de opvang van slachtoffers van mensenhandel. De feiten werden gepleegd in Namen tussen 2013 en 2019.  

De burgerlijke partij was in 2011 in België aangekomen met haar dochter op basis van een toeristenvisum om te werken in het schoonmaakbedrijf van haar zus en schoonbroer, dat actief was in een rust- en verzorgingstehuis. Ze heeft vervolgens regelmatig – niet-aangegeven – gewerkt voor de beklaagde die zaakvoerder geworden was van het schoonmaakbedrijf. Het onderzoek werd opgestart naar aanleiding van een klacht van de burgerlijke partij voor de laattijdige betaling van haar loon. Ze verklaarde onder meer dat de beklaagde geweigerd had om haar te betalen en erop had aangedrongen dat zij zou blijven werken toen ze ziek was. Hij was immers bang dat hij zijn contract met het rust- en verzorgingstehuis zou verliezen.  

De beklaagde betwistte alleen de tenlastelegging mensensmokkel, en riep de onoverwinnelijke dwaling, zijn goede trouw en een zuiver altruïstische bedoeling in. De rechtbank verklaarde de tenlastelegging evenwel bewezen omdat uit de elementen van het dossier bleek dat hij op de hoogte was van de illegale verblijfstoestand van de burgerlijke partij. De beklaagde droeg bewust en vrijwillig bij tot haar verblijf door haar werk te geven, in overtreding met de Belgische verblijfswetgeving en puurde er een vermogensvoordeel uit, door het loon en de socialezekerheidsbijdragen in het kader van die illegale tewerkstelling niet te betalen. De rechtbank baseerde haar redenering op de tewerkstellingsbelofte die de beklaagde getekend had ten voordele van de burgerlijke partij in het kader van het dossier voor de regularisatie van haar verblijf, op zijn eigen verhoor en op het ontbreken van elke poging om het sociaal dossier te regulariseren tijdens de tewerkstelling voor zijn rekening. 

De burgerlijke partij vroeg een morele schadevergoeding die ze rechtvaardigde met de arbeids- en huisvestingsomstandigheden die in strijd waren met de menselijke waardigheid. De beklaagde betwistte dat. De rechtbank was van oordeel dat de morele schade in concreto ongerechtvaardigd was wegens: het ontbreken van moreel geweld, dwang en voorwaarden die in strijd waren met de menselijke waardigheid door de beklaagde; de afwezigheid van een verband tussen de onregelmatige betaling van het loon en de irreguliere status van de burgerlijke partij; het wederzijdse voordeel in het systeem van niet-aangegeven arbeid; het vaste uurloon van 10 euro netto wat niet wees op uitbuiting; de vriendschapsband tussen de twee partijen; het akkoord van de beklaagde om zich borg te stellen voor de huurovereenkomst van de burgerlijke partij en om de gevolgen daarvan te dragen. 

De beklaagde kreeg de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gedurende drie jaar en werd veroordeeld tot de betaling aan de burgerlijke partij van een euro voor morele schade en 4.947 euro voor materiële schade.  

De beslissing is definitief.