Correctionele rechtbank van Brugge, 5 juni 2024
De rechtbank sprak zich uit over een zaak rond mensensmokkel via schijnhuwelijken met 22 beklaagden, die vooral de Pakistaanse nationaliteit hadden naast enkelen met de Belgische, de Indiase, de Guinese en de Portugese nationaliteit.
Tien beklaagden werden vervolgd voor mensensmokkel. Twaalf beklaagden werden vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie: de tien beklaagden die ook voor mensensmokkel werden vervolgd en nog twee andere beklaagden. Eenentwintig beklaagden werden vervolgd voor valsheid in geschrifte en/of informaticabedrog.
Elf beklaagden werden vervolgd door het parket maar waren in feite zelf gesmokkelde personen die tegen betaling een schijnhuwelijk hadden gesloten met de hulp van de hoofdbeklaagden. Twee van hen werden zowel voor valsheid in geschrifte als voor deelname aan een criminele organisatie vervolgd. De andere negen werden alleen voor valsheid in geschifte vervolgd. Ook een Portugese vrouw en een boekhouder werden vervolgd.
De feiten van mensensmokkel deden zich voornamelijk voor in de periode van 2012 tot 2016. De zaak kwam aan het licht toen enkele gemeenten in West-Vlaanderen opvallend veel inschrijvingen vaststelden van Pakistaanse mannen met Europese echtgenotes. Vaak schreven zij zich in op dezelfde adressen.
Uit onderzoek bleek dat een Brussels netwerk schijnhuwelijken organiseerde tussen voornamelijk Portugese maar ook Poolse dames en Pakistaanse mannen. In Pakistan werd er actief gezocht naar jonge mannen in armoede die naar Europa wilden komen. In Portugal werd er gezocht naar vrouwen die tegen betaling wilden trouwen met Pakistaanse mannen. De gevormde koppels beschikten over Portugese huwelijksakten. Zodra zij in België waren, vroegen de vrouwen gezinshereniging aan met hun Pakistaanse echtgenoten. De huwelijksakten bleken vaak opgesteld voor huwelijken afgesloten op een specifieke plaats in Portugal. Bij nazicht bleken ze vals te zijn.
Om de Portugese vrouwen aan een job te helpen, wat een vereiste is voor gezinshereniging van een EU-burger met een niet-EU-burger, werden er constructies opgezet via vennootschappen in Brussel waarvan de vrouwen dan vennoten werden. Zij keerden na een korte periode terug naar Portugal, of naar Polen. Wanneer zij zich dan moesten aanbieden bij een Belgische officiële instantie, werden zij verwittigd en kwamen ze naar België. De Pakistaanse echtgenoten kregen dan verblijfsdocumenten voor België.
Ook in Portugal liep er een onderzoek naar de schijnhuwelijken. Er was een politionele en gerechtelijke samenwerking tussen België en Portugal, wat leidde tot huiszoekingen en arrestaties. Ook in Portugal werden personen aangehouden die daar de schijnhuwelijken hadden georganiseerd.
De slachtoffers betaalden tussen 7.000 euro en 30.000 euro. Soms betaalden de slachtoffers alleen voor de organisatie van een schijnhuwelijk. In andere gevallen betaalden ze voor een totaalpakket: er werd dan gezorgd voor het afsluiten van het huwelijk, het verstrekken van woongelegenheid, het regelen van werk, het leveren van bijstand voor het bekomen van de nodige verblijfsdocumenten en het oprichten van vennootschappen.
Daarenboven werden deze mannen het slachtoffer van economische uitbuiting [CC1] [AB2] [PL3] om hun schulden terug te betalen aan de criminele organisatie. De hoofdbeklaagde en zijn drie neven bezaten meerdere vennootschappen die actief waren in de groothandel van kledij en de verkoop van kledij op markten. De gesmokkelde Pakistaanse mannen moesten hun smokkelschulden afbetalen door de kledij op markten te verkopen tegen bijzonder lage lonen (30 euro per dag). Per slachtoffer werd er nauwkeurig bijgehouden hoeveel schulden er nog moesten worden afbetaald. In sommige gevallen werden de slachtoffers ingeschreven in vennootschappen, zogezegd als aandeelhouders en zelfstandigen. De kledij die zij op de markten moesten verkopen was verplicht af te nemen van de organisatie. Zo werd er nog een bijkomende schuld gecreëerd in hoofde van de slachtoffers. De organisatie werd daardoor nog rijker. Op een bepaald moment hadden de hoofdbeklaagden 35 personen in dienst op markten.
De rechtbank beoordeelde voor alle beklaagden hun precieze rol.
De hoofdbeklaagde was de “grote baas”. Hij stond aan het hoofd van deze organisatie en was samen met zijn drie neven verantwoordelijk voor het organiseren van de schijnhuwelijken. De tweede beklaagde, de derde beklaagde en de vierde beklaagde waren broers en neven van de hoofdbeklaagde. Ze behoorden tot een gekende familie in hun regio van herkomst. Zij zorgden mee voor de organisatie van de mensensmokkel via de schijnhuwelijken én de uitbuiting op de markten waarmee de smokkelslachtoffers hun schulden dienden af te betalen.
De andere beklaagden die werden vervolgd voor mensensmokkel hadden kleinere rollen. Ze fungeerden als tussenpersonen en zorgden voor de administratieve en logistieke kant van de smokkel, zoals het verschaffen van een adres, vervoer, begeleiding tijdens de afspraken bij de gemeenten en het opzetten van vennootschappen.
De rechtbank meende dat de feiten van mensensmokkel bewezen waren en oordeelde dat er eveneens sprake was van deelname aan een criminele organisatie.
Een beklaagde, een boekhouder via wiens kantoor de beklaagden de vennootschappen creëerden, werd volledig vrijgesproken. De feiten van mensensmokkel waren onvoldoende bewezen volgens de rechtbank.
Elf beklaagden die vervolgd werden waren in feite personen die gesmokkeld waren door de criminele organisatie, waarbij zij tegen betaling van hoge bedragen een schijnhuwelijk aangingen met de Portugese vrouwen.
Deze beklaagden werden allemaal vrijgesproken voor het aangaan van een schijnhuwelijk, namelijk voor valsheid in geschrifte en informaticabedrog. Volgens de rechtbank ontbrak het moreel element, het bijzonder opzet dat noodzakelijk is als constitutief bestanddeel voor die misdrijven.
Twee van deze elf beklaagden werden nadien evenwel ingeschakeld door de organisatie om de smokkel van andere slachtoffers te organiseren. Zij werden ook vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie maar werden door de rechtbank uiteindelijk maar veroordeeld tot een eenvoudige schuldverklaring.
De negen andere beklaagden waren volgens de rechtbank slachtoffers van mensensmokkel. Zij bevonden zich in een kwetsbare situatie, waardoor zij niets anders konden dan meegaan in het verhaal van de schijnhuwelijken om de werkwijze van de organisatie te volgen. Ze dienden veel geld te betalen en werden dan nog eens verplicht om hun schulden af te betalen door te werken op de markten.
Een beklaagde was een Portugese vrouw die bewust een schijnhuwelijk was aangegaan met een Pakistaanse man. Zij deed dat omwille van haar precaire financiële situatie. Ze werd veroordeeld tot een eenvoudige schuldverklaring.
De rechtbank had voor de straftoemeting rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De hoofdbeklaagde werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en tot een geldboete van 192.000 euro. Er werden twee onroerende goederen en een bedrag van 200.000 euro verbeurdverklaard. De andere beklaagden werden veroordeeld tot gevangenisstraffen tussen één jaar en vier jaar en tot geldboetes tussen 8.000 euro en 136.000 euro.
Tegen dit vonnis werd beroep aangetekend.