Deze zaak betrof drie beklaagden en werd opgestart in oktober 2021, toen de politie ‘s nachts twee voertuigen controleerde op een oprit van de E40 in De Panne. De eerste auto volgde de tweede, die nautisch materiaal vervoerde. In de auto’s, die ingeschreven waren in Frankrijk en in Duitsland, zaten de drie beklaagden en een vierde persoon, die kort na de interceptie ’s nachts overleed in een politiecel. Een van de auto’s was eerder al geobserveerd bij het laden en lossen van migranten en materiaal aan de Franse kust.

De twee in beslag genomen voertuigen werden doorzocht en er werden vingerafdrukken genomen en een ANPR-analyse uitgevoerd. Daarnaast gebeurde er een onderzoek van de telefoons die in de voertuigen van de verdachten werden aangetroffen.

De eerste beklaagde, een Iraniër, verscheen niet op het proces. Hij had beweerd minderjarig te zijn, maar dat werd ontkracht door een botscan, waaruit bleek dat hij 26 of 27 jaar oud was met een foutenmarge van twee à drie jaar. Volgens de beklaagde zouden de personen in de andere auto hem helpen om de overtocht naar het Verenigd Koninkrijk te maken voor een bedrag van 5.000 euro. Omdat hij dat niet kon betalen, zei de beklaagde dat hij ermee had ingestemd om in ruil voor een gratis overtocht de auto te besturen om de motoren naar Frankrijk te brengen en het nautische materiaal te vervoeren. Ze hadden hem een telefoon gegeven en hij werd in de gaten gehouden door de andere auto.

De tweede beklaagde, een Irakees, zat in de eerste auto die werd tegengehouden. Hij vervulde een belangrijkere rol binnen de organisatie.

Van de derde beklaagde, ook een Irakees, waren in verschillende landen vingerafdrukken genomen, al gebruikte hij verschillende namen. Hij opereerde dag en nacht als tweede in rang binnen de criminele organisatie voor de smokkel van migranten naar het Verenigd Koninkrijk met behulp van Turkse rubberboten die overladen waren en bekend stonden om hun slechte kwaliteit. Hij vervulde niet alleen een logistieke functie, maar controleerde eveneens de betalingen van de slachtoffers via het hawala-systeem en gaf opdrachten aan zijn handlangers. Hij ging naar Duitsland om motoren en boten op te halen en klaar te maken op het strand. Hij stond in contact met andere smokkelaars en in het bijzonder met het hoofd van de organisatie, dat zich in het Verenigd Koninkrijk bevond.

De opgelegde straffen varieerden van dertig maanden gevangenis (in sommige gevallen met uitstel) tot zes jaar gevangenis en tussen 20.000 en 32.000 euro boete (gedeeltelijk met uitstel in het geval van de eerste beklaagde). Elke beklaagde werd ook uit de rechten ontzet.

Er werd beroep aangetekend in deze zaak.