Correctionele rechtbank van Brugge, 12 oktober 2022
De rechtbank veroordeelde twee Indiase verdachten, de voornaamste smokkelaars binnen een criminele organisatie, voor mensensmokkel met verzwarende omstandigheden ten aanzien van een onbepaald aantal personen (minstens 97) onder wie meerdere minderjarige slachtoffers in Zeebrugge.
Het onderzoek begon in april 2018 na een verklaring van een Indiase man die beweerde het slachtoffer te zijn geweest van mensensmokkel. Na een tocht naar Parijs was hij naar Brussel-Zuid, Blankenberge en vervolgens Zeebrugge gereisd via een Indiase smokkelaar die hij identificeerde en wiens naam werd teruggevonden in politiedatabanken. Deze smokkelaar, die tijdens het proces in deze zaak niet werd gedagvaard, was al tijdens eerdere onderzoeken in de regio van Zeebrugge aangetroffen en herkend. In mei 2018 verklaarde een andere persoon, na door de scheepvaartpolitie te zijn onderschept, dat ze in Brussel was benaderd door dezelfde smokkelaar, die ze formeel identificeerde op een foto. Ze was acht tot tien keer met hem van Brussel via Blankenberge naar Zeebrugge gereisd, samen met andere migranten, telkens in een oplegger.
Het onderzoek werd gevoerd door middel van telefoontaps, een telefonieonderzoek, het uitlezen van WhatsApp-gesprekken, een forensisch onderzoek van de telefoons en een onderzoek van de bewakingscamera’s in de stations. De rechercheurs deden ook onderzoek bij mensen die vastzaten in het gesloten centrum van Brugge en die contact hadden gehad met de smokkelaar (die niet betrokken was bij dit proces). Uit het onderzoek bleek dat hij banden had met een criminele organisatie, samen met andere betrokken personen, van wie de twee voornaamste smokkelaars op het moment van de gebeurtenissen in India waren. De aanklachten in het vonnis in deze zaak hebben evenwel alleen betrekking op de laatste twee. Tijdens het onderzoek werden er eveneens andere verdachten ondervraagd. Zij verklaarden dat ze tegen betaling onderdak hadden gekregen van andere leden van de organisatie en dat zij diensten hadden verleend zonder zich bewust te zijn van enige link met mensensmokkel. Bij sommigen van hen werden er eveneens huiszoekingen verricht.
Het smokkelnetwerk organiseerde de huisvesting van de slachtoffers en het vervoer per vrachtwagen naar het Verenigd Koninkrijk. Vaak werden ze meerdere dagen aan de kust of in een park achtergelaten. Ze moesten zelf in eten en drinken voorzien, soms voor meerdere nachten. De criminele organisatie maakte daarbij gebruik van bedreigingen. De slachtoffers waren voornamelijk Indiase vrouwen, die vanuit India naar het Verenigd Koninkrijk werden gevoerd. Een van de verdachten ontving via Western Union geld uit het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland. De activiteiten waren goed georganiseerd: er werd gereisd in kleine groepen; sommige leden hielden een oogje in het zeil voor het geval er politie zou opdagen; er werden duidelijke instructies gegeven; de slachtoffers werden verzorgd en ondergebracht in verschillende safehouses. De leden wisten wie door de politie was opgepakt, wie was ontsnapt en wie in het Verenigd Koninkrijk was aangekomen.
De twee beklaagden, die de voornaamste smokkelaars waren binnen de criminele organisatie, hadden rechtstreeks contact met de andere leden en gaven hun instructies. Zij gebruikten talrijke aliassen in hun communicatie met de slachtoffers en andere leden van de criminele organisatie.
De eerste beklaagde betwistte de feiten van mensenhandel in deze zaak niet. Hij vervulde een leidinggevende en controlerende rol binnen de criminele organisatie. De rechter wees erop dat de beklaagde de organisatie niet per se hoefde te hebben opgezet om er het hoofd van te zijn. Hij bevond zich in staat van wettelijke herhaling na verschillende veroordelingen voor soortgelijke feiten. Hij werd gearresteerd in Armenië en in april 2021 overgebracht naar België. Aangezien de beklaagde in juni 2022 al door het hof van beroep in Brussel was veroordeeld voor mensensmokkel, was de rechter van oordeel dat de feiten die hem in dit proces ten laste werden gelegd de manifestatie vormden van eenzelfde opzet, wat een bijkomende veroordeling vereiste.
De tweede beklaagde werd samen met de eerste beklaagde als de voornaamste smokkelaar beschouwd. In 2014 werd hij van België naar India gerepatrieerd en sindsdien heeft hij India niet meer verlaten. In dat verband werd er in september 2018 een verstekvonnis uitgevaardigd en in oktober 2019 werd er een rechtshulpverzoek aan India overgemaakt, dat werd uitgevoerd en in augustus 2021 werd teruggestuurd. Bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek werd er ook melding gemaakt van smokkelactiviteiten in de regio Oekraïne-Polen. Hij bevond zich eveneens in staat van wettelijke herhaling aangezien hij op 29 juni 2017 voor soortgelijke feiten was veroordeeld door de Nederlandstalige correctionele rechtbank van Brussel. Hij verscheen niet op het huidige proces en werd bij verstek veroordeeld.
De beide beklaagden werden veroordeeld tot respectievelijk vier en tien jaar gevangenisstraf en tot een boete van 560.000 euro. Ze werden ook uit hun rechten ontzet.
Tegen deze beslissing werd er beroep aangetekend.