De rechtbank sprak zich uit over feiten van mensenhandel die plaatsvonden op een Limburgse aspergeplantage in 2018. Meerdere Albanese arbeiders werden uitgebuit. Vier beklaagden werden onder meer vervolgd voor mensenhandel en mensenmokkel: twee Belgische vennootschappen (de eerste en de tweede beklaagde), een Nederlandse vrouw (de derde beklaagde) en een Belgische man (de vierde beklaagde). De werkelijke werkgever, een Belgische man die de partner was van de derde beklaagde, overleed tijdens het onderzoek en werd derhalve niet vervolgd.

De werkkrachten werden naar België gehaald en verbleven hier illegaal. Zij werden in hun land geronseld en naar deze contreien overgebracht door de vierde beklaagde. Ze klopten bijzonder veel uren voor een heel laag loon, waarvan zij bovendien een deel moesten afstaan voor de huur. Ze woonden in erbarmelijke omstandigheden en hadden soms honger omdat ze afhingen van hun werkgever voor de uitbetaling van het loon.

De partner van de overleden werkgever werd vrijgesproken, omdat het onvoldoende was aangetoond dat zij bij de activiteiten betrokken was en weet had van de uitbuiting.

De rechtbank oordeelde dat de feiten bewezen waren ten aanzien van de andere beklaagden. Ze stelde dat de vierde beklaagde wel degelijk op de hoogte was van de misdrijven en het opzet had om eraan mee te werken. Het feit dat hijzelf geen direct of indirect vermogensvoordeel realiseerde was volgens de rechtbank van geen belang.

Ook de twee vennootschappen werden bij verstek veroordeeld tot hoge geldboetes van 672.000 euro. De rechtbank beval daarnaast de definitieve en volledige sluiting van de vennootschappen. Het pand waar de feiten plaatsvonden werd verbeurdverklaard.

De vierde beklaagde werd bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en tot een geldboete van 448.000 euro.

De beslissing is definitief ten aanzien van de vrijgesproken beklaagde. Ten aanzien van de andere drie verdachten werd de beslissing bij verstek uitgesproken.