Dit dossier betreft de handel en smokkel van jonge, Thaise vrouwen via een goed georganiseerd, beproefd mechanisme. De jonge vrouwen moesten zich prostitueren in appartementen in Luik, Brussel en Aarlen.

Vier beklaagden - twee Thaise vrouwen, een Pakistaan en een Roemeen – werden voor diverse tenlasteleggingen vervolgd. In het geval van de eerste drie was dit mensenhandel en mensensmokkel, rekrutering en uitbuiting van prostitutie tegenover meerdere Thaise jongedames. Ze werden ook vervolgd wegens het verspreiden van publiciteit voor het aanbieden van diensten van seksuele aard door deze jonge vrouwen via talrijke advertenties op een website van seksuele aard, onder de rubriek ‘Escortes en massages’. De Roemeense en de Pakistaanse beklaagde werden vervolgd voor dezelfde tenlasteleggingen (behalve die van smokkel en publiciteit), maar tegenover twee Roemeense meisjes.

Vier Thaise slachtoffers stelden zich burgerlijke partij.

De rechtbank gaf een gedetailleerde beschrijving van de feiten. Het dossier werd begin januari 2015 ingeleid. De lokale politie van Luik werd op de hoogte gebracht van de aanwezigheid van Thaise prostituees in een gebouw in Luik. Er werden twee jonge vrouwen gezien die er blijkbaar talrijke klanten ontvingen in een appartement.

In februari 2015 voerde de politie een controle uit op jonge, Thaise vrouwen in een hotel in Aarlen, voor wie advertenties met het oog op prostitutie werden gepubliceerd op de een website ontdekt in het kader van het onderzoek in Luik. Uit de verklaringen van de drie geïdentificeerde meisjes bleken globaal gezien gelijksoortige trajecten en arbeidsomstandigheden, waarin elk van de eerste drie beklaagden een rol speelde. De rekrutering in Thailand gebeurde door de eerste beklaagde, die instond voor de organisatie van de reis. De meisjes moesten de reiskosten (€ 15.000) terugbetalen door in de prostitutie te werken. De tweede Thaise beklaagde stond in voor het onthaal in België: ze ontving de meisjes, legde hen de arbeidsvoorwaarden uit, ontving de oproepen, regelde de afspraken en ontving de inkomsten. Zolang ze de reiskosten niet volledig hadden terugbetaald, hadden de slachtoffers niets van geld in handen. Ze moesten elke dag van 10 tot 2 uur ’s morgens beschikbaar zijn. De Pakistaanse beklaagde stond in voor de plaatsing van de advertenties op het internet, de aankoop van de telefoontoestellen en de huur van de appartementen. Later nam hij de plaats van de beklaagde die in België woonde en die zijn partner was, in omdat zij naar Thailand terugkeerde na een belangenconflict tussen beiden. De paspoorten van de meisjes waren in beslag genomen en ze konden het appartement niet vrij verlaten.

De politie voerde verder onderzoek naar een website en voerde telefoontaps uit. Zo ontdekte ze dat de Pakistaanse beklaagde net een carwash had geopend en dat er ook Roemeense meisjes voor hem werkten. Hiervoor werkte hij met de Roemeense beklaagde, die met name zijn contactpersoon was voor de rekrutering van Roemeens personeel om in de carwash te werken. 

Er vonden ook een observatie en huiszoekingen plaats. Op dat ogenblik werden nog meerdere slachtoffers ontdekt en verhoord, naast de twee beklaagden. De Pakistaanse beklaagde erkende dat hij de Roemeense beklaagde had gevraagd voor hem een meisje te vinden om te werken in een leegstaand appartement in Luik. De Roemeense beklaagde was overigens in Thailand getrouwd met de Thaise beklaagde, zodat ze de nodige papieren kon verkrijgen (schijnhuwelijk).

Op basis van de analyse van de gsm, gevonden tijdens de huiszoeking en eigendom van de Pakistaanse beklaagde, was het mogelijk de contactpersoon in Thailand, met name de Thaise beklaagde die voor het ronselen instond, te identificeren. Ze kon worden gearresteerd, in tegenstelling tot de andere beklaagde, tegen wie een Europees en internationaal aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd.

In een gedetailleerde motivering verklaarde de rechtbank alle tenlasteleggingen bewezen, behalve die van uitbuiting van de prostitutie in hoofde van de Roemeense beklaagde.

Wat mensenhandel betreft, beschouwde de rechtbank dat alle bestanddelen van deze tenlastelegging in dit geval aanwezig waren, aangezien de vijf meisjes ontegenzeglijk werden geronseld, onthaald, gehuisvest, vervoerd en gecontroleerd met het oog op uitbuiting van de prostitutie. Ze beschreven een identieke, beproefde modus operandi. Ze werden geronseld in Thailand, waar ze in een moeilijke financiële en/of familiale situatie leefden, door de eerste beklaagde en meestal via een vriendin, die haar aan hen voorstelde. De beklaagde gaf hen uitleg over de mogelijkheid om naar België te komen, de aard van het werk en het principe van de schuld van de reiskosten, die moesten worden terugbetaald. Ze bezorgde hen een visum (toeristenvisum, vaak van een ander land van de EU) en vliegtuigtickets, zorgde voor logies voor de reis, gaf hen geld voor de reiskosten en maakte foto’s van de meisjes (bestemd voor de advertenties op websites voor prostitutie in België). Vaak reisden twee meisjes tegelijk. Dat deden ze via het Europese land waarvoor ze een visum hadden verkregen. De rechtbank oordeelde dus dat de eerste beklaagde onder het mom van haar reisbureau wel degelijk deelnam aan het ronselen en het vervoer van deze vijf Thaise meisjes met het oog op uitbuiting van de prostitutie.

In Brussel werden ze opgewacht door de tweede beklaagde, die hen een bijnaam gaf, een gsm ‘voor het werk’ bezorgde, hun paspoort in beslag nam en het werk uitlegde. De meisjes verbleven op dezelfde plaats als waar ze werkten en verhuisden vaak. De prestaties werden constant gecontroleerd. De meisjes moesten 40 % van hun inkomsten afgeven en de resterende 60 % diende om hun reisschuld af te betalen, zolang ze deze niet volledig hadden terugbetaald.

De derde beklaagde speelde een belangrijke rol in de huisvesting van de meisjes, hun vervoer, de plaatsing van de advertenties en de controle van de meisjes.

De rechtbank merkte in dit opzicht op dat de verklaringen van deze vijf slachtoffers alle details over de feiten bevatten. Eventuele tegenstrijdigheden of wijzigingen tijdens de verschillende verhoren deden geen afbreuk aan de geloofwaardigheid of oprechtheid van hun verhaal, maar bevestigen juist het belang van hun statuut van slachtoffer van mensenhandel, aangezien ze ook tijdens deze verhoren nog altijd in de greep van de beklaagden (op zijn minst van een van hen) waren.

Op dezelfde manier veroordeelde de rechtbank de beklaagden wegens mensenhandel tegenover de twee Roemeense meisjes, met name op basis van de bekentenissen van de twee betreffende beklaagden, telefoontaps, observaties en onderzoek op een website.373 De rechtbank oordeelde dat de Roemeense beklaagde een essentiële bijdrage leverde tot het plegen van de feiten en tot het ronselen, maar ook door hulp te bieden bij de schoonmaak van de woonst van de meisjes en een zeker toezicht te verzekeren. Hij had trouwens een band met de andere beklaagden doordat hij met een van hen gehuwd was en vennoot was in de onderneming die de carwash uitbaatte.

Deze verklaringen werden bevestigd door diverse andere elementen uit het dossier (waaronder de verklaringen van twee beklaagden, de telefoontaps, het onderzoek van de gsm-toestellen, de vaststellingen van de speurders en het onderzoek naar de advertentiewebsites).

De rechtbank erkende eveneens de verzwarende omstandigheden van het misdrijf (misbruik van de kwetsbare situatie van de meisjes, geweld, bedreigingen en een zekere vorm van dwang (dit laatste echter alleen in het geval van de Thaise slachtoffers) en deelname aan de activiteit van een vereniging).

Voor de tenlastelegging mensensmokkel, die betrekking had op de drie eerste beklaagden, oordeelde de rechtbank eveneens dat de bestanddelen in dit geval allemaal aanwezig waren: ze zorgden voor het binnenkomen, de transit en het verblijf van deze vijf Thaise meisjes in meerdere lidstaten van de Europese Unie. Hierbij waren ze, elk in hun eigen rol, betrokken bij de levering van de toeristenvisa, het voorschieten van het geld voor de vliegtuigtickets, het helpen doorreizen van deze vrouwen door meerdere landen van Europa vooraleer in België aan te komen, en het regelen van onderdak en dus het verblijf van deze personen in België, dit alles met het doel rechtstreeks of onrechtstreeks een vermogensvoordeel te verkrijgen. Deze meisjes hadden immers een reisschuld van € 15.000, een bedrag dat de werkelijke reiskosten ruim overschreed.

De opgelegde straffen gingen van 2 tot 6 jaar gevangenis en geldboetes van € 12.000 tot € 42.000. Er werden ook verbeurdverklaringen per equivalent uitgesproken tegenover de drie eerste beklaagden. De burgerlijke partijen kregen een morele schadevergoeding van € 1.000 en materiële schadevergoedingen tussen € 17.704,20 en € 35.054,31 toegewezen. De rechtbank besliste eveneens om de bedragen van de verbeurdverklaring per equivalent in de eerste plaats aan de burgerlijke partijen toe te wijzen.

Beroep werd aangetekend in deze zaak.