Ter herinnering: naar aanleiding van de debatten in de Commissie Binnenlandse Zaken van 9 februari 2018 over het verslag van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen met betrekking tot de Soedancrisis kondigde premier Michel de oprichting aan van een commissie die zou belast worden met de evaluatie van de praktische uitvoering van de wettelijke regels en bepalingen met betrekking tot het terugkeerbeleid. Dat vroegen zowel de regering als bepaalde Kamerleden al geruime tijd. Toenmalig staatssecretaris Francken ondertekende op 7 maart 2018 een verklaring in die zin.

Het idee van een commissie was dus niet nieuw. Op 22 september 2018 was het precies twintig jaar geleden dat de Nigeriaanse asielzoekster Semira Adamu door verstikking om het leven kwam toen ze, geëscorteerd door vijf Belgische rijkswachters, gedwongen het land werd uitgezet. Haar dood leidde tot de oprichting van twee tijdelijke commissies die belast werden met de evaluatie van de verwijderingsinstructies: de Commissie-Vermeersch I stelde haar verslag voor in januari 1999, de Commissie-Vermeersch II deed dat in januari 2005. Beide rapporten bevatten verschillende aanbevelingen voor een “humaan en doeltreffend verwijderingsbeleid”. Een van die aanbevelingen was om een permanente commissie op te richten om het verwijderingsbeleid te evalueren met onder meer deze twee taken: controleren hoe de aanbevelingen van de Commissies-Vermeersch I en II werden opgevolgd en op regelmatige tijdstrippen een globalere evaluatie maken van het verwijderingsbeleid in het licht van het algemene asiel- en migratiebeleid.

Dertien jaar na de tweede Commissie-Vermeersch werd de niet-permanente Commissie-Bossuyt opgericht, naar aanleiding van de Soedancrisis. Ze wordt voorgezeten door professor-emeritus Marc Bossuyt en telt verschillende verantwoordelijken van de administraties, de federale politie en de Algemene Inspectie van de politie en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.

Myria heeft de regering gefeliciteerd met de oprichting van een dergelijke commissie, zoals het ook al jarenlang aanbeval. Toch is het eerste tussentijdse verslag onvoldoende duidelijk over de methodologie en de missie. Het is eerder een reactie op de aanbevelingen van Amnesty International en gaat niet dieper in op de ontwikkelingen die mogen verwacht worden van de commissie. Ook het gebrek aan volledige statistieken en budgettaire gegevens met betrekking tot het verwijderingsbeleid is betreurenswaardig, zoals professor Bossuyt eveneens benadrukt. Bovendien blijft het rapport heel theoretisch en valt het vooral terug op een analyse van de wetgeving en de rechtspraak en enkele hoorzittingen. De commissie lijkt geen enkel terreinbezoek gedaan te hebben op de plaatsen waar vreemdelingen worden vastgehouden, teruggedreven of verwijderd.