De Europese gezinsherenigingsrichtlijn voorziet dat de lidstaten de gezinshereniger kunnen vragen om aan te tonen dat hij over stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten beschikt om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand. Maar voorziet ook het gebod geen onderscheid te maken op grond van o.a. handicap en laat de mogelijkheid aan lidstaten om gunstigere bepalingen vast te leggen. Daarnaast moeten de lidstaten rekening houden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de betrokken persoon in elke beslissing (positief of negatief). Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) voorziet een dergelijk onderzoek, waarbij de overheid een “fair balance”-toets moet uitvoeren waarbij ze een billijke afweging tussen de individuele belangen en die van de samenleving moet maken.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie herinnerde in zijn arrest Chakroun eraan dat de gezinshereniging een recht is: “De beoordelingsmarge die aan de lidstaten werd toegekend mag niet gebruikt worden op een manier die de doelstelling van de richtlijn, met name het bevorderen van de gezinshereniging, ondermijnt en afbreuk doet aan het nuttig effect ervan”.

De onderschrijving van het VN-Verdrag voor personen met een handicap verplicht de Belgische staat om de rechten van personen met een handicap te beschermen. Volgens dit verdrag hebben personen met een handicap recht op maatregelen die hun zelfstandigheid, hun maatschappelijke en beroepsintegratie en hun deelname aan het gemeenschapsleven bewerkstelligen.

Voor de familieleden van Belgen geldt daarenboven, sinds 2016, dat de tegemoetkoming voor personen met een handicap niet kunnen worden uitgesloten als bewijs van voldoende bestaansmiddelen, als gevolg van de aanpassingen die de wet van 4 mei 2016 aanbracht aan de Vreemdelingenwet. (RvV 15 mei 2017, nr. 186.791). Dit standpunt werd in 2018 bevestigd door de Raad van State (RvS 6 februari 2018, nr. 12.702). De Dienst Vreemdelingenzaken wijzigt zijn praktijk echter niet in afwachting van cassatieprocedures bij de RvS.

Myria vraagt personen met een handicap niet langer te discrimineren in hun recht op een gezinsleven, door de tegemoetkomingen van personen met een handicap te aanvaarden voor het berekenen van het niveau van de bestaansmiddelen bij een verzoek tot gezinshereniging.